Europese referenda

DE BEVOLKING VAN LETLAND heeft zaterdag per referendum `ja' tegen Europa gezegd. Letland is een van de tien landen die op 1 mei 2004 tot de Europese Unie zullen toetreden. Malta, Slovenië, Hongarije, Litouwen, Tsjechië, Slowakije, Polen en Estland hielden eerder dit jaar volksstemmingen. Het enthousiasme voor de EU bleek overal groot; de opkomst was over het algemeen hoog. Alleen in Hongarije viel het aantal stemmers tegen. Op Cyprus nam het parlement overigens het besluit tot toetreding. Letland was het laatste land dat zijn bevolking raadpleegde.

In geen van de tien landen hebben de Euro-sceptici voet aan de grond gekregen. Zelfs in Polen niet, dat met zijn 38 miljoen inwoners de belangrijkste nieuwkomer is en waar het maatschappelijk verzet tegen Brussel het sterkste was. De feiten zijn aldus: een groot deel van de bevolking van Midden- en Oost-Europa en van de twee mediterrane ministaatjes wil bij de EU horen. Dat is na het wegstemmen van de euro in Zweden, eveneens bij referendum, een enorme opsteker voor de Unie. Regeringen kunnen van alles bedenken, maar als bij volksstemmingen blijkt dat het enthousiasme voor Europa klein is, of zelfs afwezig, dan moet de tering naar de nering worden gezet. Dat gebeurt nu in Zweden, dat op uitdrukkelijk verzoek van het Zweedse volk zijn eigen munt houdt. Het zal het land uiteindelijk opbreken, zowel politiek als economisch. Halfhartig EU-lid zijn heeft zijn prijs.

Letland was ooit deels Zweeds, later Pools en Russisch. Van eind 1944 tot september 1991 hoorde het bij de Sovjet-Unie. De Letten hopen dat ze economisch kunnen profiteren van de EU. Maar hun hang naar Europa heeft evenzeer te maken met de wens om gevrijwaard te blijven van vreemde overheersing. Dat geldt voor alle Oost- en Midden-Europese nieuwkomers. Veiligheid, geborgenheid onder de vlag van Europa en politieke onafhankelijkheid zijn sterke drijfveren om `ja' tegen de EU te zeggen voor volkeren die deze democratische kenmerken jarenlang ontbeerden.

Met de uitslag van dit laatste referendum zijn de ogen nu gericht op Brussel. De verwachtingen zijn hooggespannen en kunnen, dat is zeker, niet voor iedere nieuwe lidstaat worden waargemaakt. In de praktijk betekent de Europese Unie toch vooral bikkelen: tegen de onverbeterlijke Brusselse bureaucraten, voor het geld dat schaars is en voor politieke eenheid die bijna nooit te vinden is. Zie Irak, zie de plannen voor een Europees leger, zie de Europese grondwet. Zelfs een kundig onderhandelaar als Valéry Giscard d'Estaing krijgt die niet ongeschonden langs de verschillende regeringen. De nieuwe Constitutie is de volgende hobbel voor Europa.

UIT EEN OPINIEONDERZOEK in opdracht van deze krant blijkt dat ruim de helft van de stemgerechtigde Nederlanders voor een Europese grondwet is. Velen (80 procent) zeggen in eerste instantie niets tot weinig te weten over de inhoud ervan. Volgend jaar juni zal in ons land – en ook in andere EU-lidstaten – een referendum over de invoering van de grondwet worden gehouden. Het Nederlandse digitale `ja' of `nee' is net zo belangrijk als de uitspraak over Europa dit weekeinde in Letland of over de euro in Zweden. Over de nieuwe Constitutie is nog te weinig bekend, de definitieve tekst moet nog worden vastgesteld. Maar een referendum schept grote verplichtingen. Ook een grondwet kan zomaar worden weggestemd als de voorlichting faalt en de wind even uit een andere politieke hoek waait. Dat is in Den Haag nog onvoldoende doorgedrongen.