Balkenende II speelt paniekvoetbal

De structuur van de Nederlandse economie is de laatste jaren niet zo verslechterd dat nu hoognodig twintig miljard euro bezuinigd moet worden, vindt Sweder van Wijnbergen. En de voorgestelde bezuinigingen raken ook nog de verkeerde terreinen.

De saaiheid van de troonrede kan niet verhullen dat het kabinet met zijn eerste begroting een gigantische baksteen in de poldervijver gegooid heeft. Zo'n twintig miljard euro bezuinigingen, 4 procent van het nationaal product, komen eraan; Nederland is van de rails en moet structureel gesaneerd worden alvorens we weer naar een stabiel en voorspelbaar begrotingsbeleid terugkunnen, zo gaf minister van Financiën Zalm aan op deze pagina (10 september). Elke nieuwe tegenvaller leidt, in de stijl van de jaren tachtig, tot nieuwe bezuinigingsronden; de rust die de Zalm-norm onder Paars-I bracht is nu ver te zoeken. Wat er precies gebeurd is om het beste jongetje van de klas van drie jaar geleden ineens in een soort Sierra Leone te veranderen, waar niets meer werkt, krijgt de kiezer en het parlement niet te horen. Het gaat slecht dus het roer moet om, en dan moet kennelijk meteen maar alles kunnen.

Een wat nuchterder kijk op de economie van Nederland leert echter dat er structureel de afgelopen drie jaar niet zoveel veranderd is; wat slecht gaat is de wereldconjunctuur, per definitie een niet-structurele bron van ellende. En dat leidt tot budgettaire problemen, grotendeels omdat Paars-II (en zijn minister van Financiën Gerrit Zalm) in goede jaren nagelaten heeft de overheidsfinanciën zodanig te structureren, dat slechte jaren zonder drama overleefd kunnen worden. Maar noch deze twee punten, noch het stabiliteitspact rechtvaardigen een aanval van twintig miljard op de publieke infrastructuur.

De wereldconjunctuur loopt slecht, en langer dan we in de negentiger jaren gewend waren. De reden daarvoor is bekend: na de val van de Muur in 1989 heeft Duitsland de hereniging op gang proberen te brengen door een ongehoorde bestedingsimpuls in Oost-Duitsland toe te dienen, precies op een moment dat zowel de Verenigde Staten als (West-) Duitsland in een laagconjunctuur zaten. Daarmee werd de naoorlogse synchronisatie van de VS en West Europa doorbroken: gedurende bijna tien jaar liepen Duitsland en de VS uit de pas qua conjunctuur. Voor de rest van de wereld betekende dit een veel stabielere omgeving: als het slecht ging in de VS ging het beter in Duitsland en netto veranderde er weinig.

Dit gebrek aan synchronisatie is, nu tien jaar na de initiële impuls, echter langzaam weggeëbd; we zijn weer terug bij het oude patroon waar de VS en Duitsland weliswaar niet precies gelijk lopen maar grosso modo synchroon lopende conjunctuurgolven hebben. Voor een exportland als Nederland betekent dat langere en grotere conjunctuurfluctuaties, maar geen structurele (dus conjunctuuronafhankelijke) verandering.

Waar we nu wel de rekening voor gepresenteerd krijgen is dat we tijdens Paars-II, net zoals Duitsland en Frankrijk, ons met veel fanfare aan de limiet van 3 procent van het Stabiliteitspact (SP) hielden, maar weinig aandacht besteedden aan de veel belangrijkere eis van budgetevenwicht over een conjunctuurcyclus uitgemiddeld, of, zoals economen dat noemen, een structureel tekort van nul. Bij een structureel tekort van nul is de kans dat de 3 procent in zicht komt verwaarloosbaar klein. Historisch gezien leidt elk procent groeivertraging binnen een jaar tot ongeveer 0,7 procent extra tekort; dat betekent dat je qua groei meer dan 4 percentpunten onder het trendgemiddelde moet liggen om die 3 procent tegen te komen. In Nederland ligt dat trendgemiddelde op 2,5 procent, dus je moet naar -1,5 procent groei (krimp dus) om tekorten van 3 procent te verwachten. Maar in de goede jaren van Paars-II is dat structurele tekort van nul nooit gehaald.

Dezelfde back of the envelope-calculatie geeft aan dat we in de jaren van hoge groei overschotten hadden moeten hebben van tegen de 1,5 procent; en dat is nooit bereikt. Paars-II gaf het stokje door met een structureel tekort van ongeveer 1 procent, wat verklaart dat we nu toch over de SP-grens van 3 procent heen dreigen te schieten nu de economie in 2003 vermoedelijk licht krimpt.

Dezelfde rekenarij geeft echter ook aan dat de reactie van het kabinet buiten proportie is. Zelfs al zouden we bij ongewijzigd (Paars-II) beleid volgend jaar een tekort van 3,5 procent halen, dan geeft dat hoogstens aan dat het structurele (voor conjunctuurinvloeden geschoonde) tekort opgelopen is tot zo'n 2 procent. Om vervolgens toch aan de SP-eis van gemiddeld nul te voldoen zou dus maar 2 procent van het nationaal product aan lastenverzwaringen of bezuinigingen nodig zijn. Dat is precies de helft van het bezuinigingspakket dat de volksvertegenwoordiging nu als noodzakelijk gepresenteerd krijgt.

Het beleid is nu volledig opgehangen aan projecties van het Centraal Planbureau (CPB) voor 2007 (!). Heeft hier het blinde vertrouwen van de politiek in CPB-voorspellingen iedereen op het verkeerde spoor geleid? Hoeveel vertrouwen is gerechtvaardigd in dergelijke projecties als we zelfs voor lopende jaren bijstellingen (`tegenvallers') van miljarden voorgeschoteld krijgen, en niet één maal, maar de afgelopen tijd zo ongeveer elke maand? Wordt hier het CPB niet veel meer gevraagd dan het kan leveren? En wat is er trouwens voor bijzonders aan 2007?

Een tweede punt van kritiek is de eenzijdige focus op bezuinigingen in plaats van het terugdraaien van de grootste fout van Paars-II, excessieve lastenverlichting. Zijn we werkelijk bereid, omwille van de heilige lastenverlichting, bijna onderaan de ladder van de OESO te staan als het land met de op een na laagste uitgaven aan onderwijs als percentage van het nationaal product? En hoe moeten we dan al die mooie verhalen over innovatie waarmaken, als we de mensen niet meer opleiden die al dat slims moeten bedenken? Meer geld zal niet automatisch de problemen in het Nederlandse onderwijs oplossen, maar zonder geld lukt het zeker niet.

Ook hier hebben politici misschien te veel vertrouwen in de CPB-voorspellingen. Tijdens de kabinetsformatie kwam elke rekensom terug met de mededeling dat lastenverzwaring `schadelijker' was dan bezuinigingen. Elke eerstejaars econoom zal hierbij zijn wenkbrouwen fronzen: in een laagconjunctuur verwacht je precies het omgekeerde. Waarom het grote model van het CPB dit produceert is ook vele CPB-economen onduidelijk, zeker als die lastenverzwaring zo gestructureerd wordt dat er geen looneffecten van verwacht hoeven te worden. Het CPB-model waar Den Haag blind op vertrouwt, is in de loop der jaren zo'n knutselproduct geworden dat niemand eigenlijk meer weet hoe het precies werkt en welk resultaat van welke aanname afhankelijk is (of misschien van een nog niet ontdekte programmeerfout?).

Door deze focus op bezuinigingen is een zeer voor de hand liggend alternatief nooit echt ter discussie gesteld. In het overmoedig `belastingplan voor de 21ste eeuw' genoemde pakket van Zalm en zijn toenmalige staatssecretaris Vermeend zat een gigantische nieuwe subsidie, die kritiekloos door iedereen geaccepteerd is. Het huis werd uit de vermogensbelasting nieuwe stijl (eufemistisch forfaittaire rendementsheffing, ofwel Box 3 genoemd) gehaald. Nederland liep toch al internationaal ver uit de pas met de mate van fiscale bevoordeling van woningbezit over andere vermogenscomponenten; en dat voordeel werd nog extremer in 2001. Het huis naar Box 3 overhevelen, waar het eigenlijk thuis hoort, zou het belastingsysteem minder verstorend en moeilijker te manipuleren maken, en, na mogelijkerwijs een overgangsfase, miljarden opleveren.

De staat zou inkomstenbelasting over het huurwaardeforfait verliezen, maar wel de hele huizenvoorraad onderbrengen in Box 3, de vermogensbelasting. Natuurlijk zou de hypotheek daar weer vanaf gaan, maar dit levert een aanzienlijk soberder hypotheekrenteaftrek op dan we nu hebben. Alles tegen 30 procent, en met een forfaittaire rente van 4 procent. Dat zou zelfs bij de huidige lage rente enige miljarden schelen, een voordeel dat zou oplopen naarmate rentes stijgen.

Een doelstelling voor tekortvermindering van tien in plaats van twintig miljard in de komende vier jaar, en een deel invulling daarvan door de opbrengst van het overhevelen van de eigen woning naar Box 3 zou veel meer ruimte laten voor de wederopbouw van noodzakelijke publieke diensten zoals onderwijs. Het houdt ons bovendien binnen de grenzen van het stabiliteitspact. De aanval op de verzorgingsstaat die Balkenende-II nu onder leiding van Zalm uitvoert, kan dan op zijn eigen merites beoordeeld worden in plaats van door ieders strot geduwd te worden onder het mom van de macro-economische crisis.

Geen vervroegd pensioen is te begrijpen gezien de vergrijzingsproblematiek (maar waarom dan wel voor ambtenaren?); maar wat er verder gaat gebeuren in de gezondheidszorg, de WAO en de rest van de arbeidsmarkt, lijkt alleen maar tot meer administratieve lasten, meer regels en minder resultaat te leiden. En hoe groot is de kans op loonmatiging, van cruciaal belang in een exporteconomie zoals Nederland, wanneer er zoveel vermijdbare confrontatie met de vakbonden gekozen wordt?

Dr. S. van Wijnbergen is hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam en oud-secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken.

Huizenbezitters moeten meer belasting betalen