Zoek het maar uit

Vorige maand besloot het echtpaar Van Straaten-Kottman hun pleegdochter niet op te halen van de trein. Het is kind is zo agressief en onhandelbaar dat ze er niet meer voor willen zorgen. Maar geen instelling wil haar opnemen. `Het is hartverscheurend.'

Op woensdagavond 13 augustus 2003 nemen Laura van Straaten-Kottman en haar man Gerard van Straaten een besluit waarvan ze niet hadden gedacht dat ze het nog eens zouden nemen. Ze besluiten dat hun pleegdochter, 12 jaar oud, nooit meer thuis mag komen. Het meisje – om haar te beschermen wordt haar naam niet genoemd – is op dat moment nog in Frankrijk, in een kamp voor kinderen met psychiatrische problemen. Ze werkt bij de boer of ze loopt, 25 kilometer per dag. Maar na zes weken vindt haar begeleider dat het genoeg is geweest. Hij belt haar pleegouders en zegt dat ze vrijdagavond om tien voor acht aankomt op het Centraal Station in Amsterdam. Gerard van Straaten antwoordt dat ze haar niet gaan halen. ,,We zijn uitgeput.''

De voogd van het meisje is met vakantie, die kan niets doen. De coördinator van de afdeling waar de voogd werkt, van Bureau Jeugdzorg Amsterdam, zegt dat hij ook niets kan doen. De vervangster van de voogd zegt dat Laura en Gerard van Straaten hun pleegdochter toch moeten halen. Als ze haar niet meer hebben willen, moeten ze haar maar afleveren bij de politie. De vervangster van de voogd belt met de begeleider van het meisje in Frankrijk. Die belt weer naar Laura en Gerard van Straaten. Hij zegt: ,,Jullie zijn moordenaars. Jullie vermoorden dat kind.''

Maar het besluit van Laura en Gerard van Straaten staat deze keer vast. En als ze de maandag erop bij Jeugdzorg zitten, blijven ze herhalen dat het meisje niet meer bij hen mag wonen. Ze willen wel haar ,,papa en mama'' blijven, maar niet meer elke dag voor haar zorgen. Ze zeggen wat ze al zo vaak hebben gezegd: ze moet hulp krijgen, ze moet naar een instelling waar er iets voor haar kan worden gedaan. En niet naar een justitiële jeugdinrichting, zoals de voogd van het meisje in januari van dit jaar voorstelde.

De kinderrechter had de pleegouders van het meisje toen gelijk gegeven. Maar na die uitspraak hadden Laura en Gerard van Straaten hun pleegdochter weer gewoon mee naar huis gekregen. Hoe ze ook hun best deden, er was in heel Nederland geen enkele instelling te vinden geweest die haar wilde opnemen. Ouders of pleegouders als die van het meisje moeten zich maar zien te redden. En dáár doen Laura en Gerard van Straaten niet meer aan mee. Ze denken: er kan alleen wat veranderen als wij onze pleegdochter ook niet meer terugnemen.

Het meisje zit nu in de crisisopvang van Beter met Thuis in Amsterdam. Ze wordt er niet behandeld en het is voor zes weken. Daarna moet ze weg, niemand weet waarheen. Iedere dinsdag- en donderdagavond mag ze haar pleegouders bellen. Iedere keer, zegt Laura van Straaten, vraagt ze of het echt waar is dat ze nooit meer naar huis mag. En dan antwoordt Laura van Straaten dat het echt zo is. Ze zegt: ,,Het is hartverscheurend.''

Tussen half augustus en begin september vertelt Laura van Straaten in vier gesprekken hoe haar pleegdochter bij hen kwam, hoe ze zich ontwikkelde, hoe het misliep. Op tafel liggen mappen met verslagen, rapporten, aantekeningen. En er zijn twee videobanden. Op één ervan vertelt haar pleegdochter hoeveel ,,respect'' ze voor haar pleegouders heeft, hoe blij ze is dat ze ,,voor mij gekozen hebben''. Het is een band uit Frankrijk. Een stevig blond meisje in spijkerbroek en een T-shirtje. Op de andere band loopt ze door de tuin achter het huis van haar pleegouders. Ze moet naar bed, maar in plaats daarvan trapt ze tegen een balletje, klimt ze op de bank, draait ze aan de lampen en trekt ze de hond aan zijn oren. Daarna slaat ze haar pleegmoeder en scheldt ze haar pleegvader uit. Ze laat zich de trap opduwen naar haar slaapkamer, maar ze komt meteen weer naar beneden. Ze laat zich nog drie keer de trap opduwen, ze schreeuwt. ,,Zo is ze als ze rustig is'', zegt Laura van Straaten.

Het meisje, in Amsterdam geboren op 26 november 1990, is bijna twee jaar als ze samen met haar elf maanden oudere broertje bij Laura en Gerard van Straaten komt wonen, in Haarlem. Laura en Gerard van Straaten hebben zelf drie kinderen, op dat moment 9, 12 en 14 jaar, en ze hebben al een ander pleegkind, een meisje van 7. Gerard van Straaten is computerprogrammeur, Laura van Straaten kraamverzorgster – dat werk doen ze allebei nog steeds. Vroeger droomden ze ervan om in een arm land een kindertehuis te beginnen. Maar het leven liep anders. Ze bleven in Haarlem en besloten zich beschikbaar te stellen voor crisisopvang. Zo kwam hun eerste pleegkind bij hen – eerst voor een half jaar, daarna voor altijd. ,,Toen ze bij ons kwam, werd er tegen ons gezegd dat we ons niet aan haar mochten hechten'', zegt Laura van Straaten. Het kind was acht weken.

Laura van Straaten gaat haar tweede pleegkind en het broertje in november 1992 zelf ophalen in Beth Palet, een kindertehuis in Amsterdam. Twee weken eerder zijn ze bij hun moeder weggehaald, ondervoed en verwaarloosd. De moeder is alcoholiste, de vader mag niet meer bij zijn kinderen komen omdat hij volgens de Kinderbescherming gewelddadig is. Er zijn nog drie grotere kinderen, van een andere vader, maar die wonen al ergens anders. Het meisje en haar broertje blijken allebei longontsteking te hebben. En ze zijn, zegt Laura van Straaten, onhandelbaar. Ze klimmen overal op, ze bijten, ze slepen hun eten naar een hoek en proppen het naar binnen. Na een paar dagen belt Laura van Straaten naar Jeugdzorg: één van de twee moet weg. Maar een ander adres is er niet. ,,Ze stonden te juichen toen ik voorstelde dat het broertje naar een van mijn zusjes ging.'' Laura van Straaten komt uit een groot, katholiek gezin. Het zusje hield het geen jaar met de jongen vol.

Genadeslag

Het nieuwe pleegkind ligt weken in het ziekenhuis om van de longontsteking af te komen. Daarna gaat het snel beter. Ze begint te lachen en te praten, ze leert spelen, ze raakt gewend aan het ritme van een gezin. Totdat ze in juni 1993 opeens naar Trompendael moet, een kindertehuis in het Gooi. ,,Ik werd gebeld, ik moest haar de volgende dag brengen'', zegt Laura van Straaten. Ze is geschokt als ze daar hoort dat er nu een permanent pleeggezin voor het meisje zal worden gezocht. Als haar pleegdochter dan niet terug naar haar moeder kan, waarom mag ze dan niet bij hen blijven? ,,Wij denken'', zegt ze, ,,dat het de genadeslag voor haar is geweest.''

Het meisje zal er een jaar blijven, tot juni 1994. Haar pleegouders mogen haar niet komen opzoeken, niet naar haar informeren. In augustus 1993 vragen ze officieel of het meisje voor altijd naar hen toe mag. In december 1993 besluit Jeugdzorg dat dat inderdaad mag. Maar dan duurt het nog een half jaar voordat ze kan worden opgehaald. En al die tijd mag ze haar pleegouders niet zien. Haar eigen moeder ziet ze ook bijna niet. Die belooft wel steeds dat ze zal komen, maar het lukt haar zelden. Het meisje – ze wordt 3 in dat jaar – zit in een babygroep, in een andere groep is geen plaats. In een van de verslagen uit die tijd staat: ,,Ze was eerst bozig, agressief. Gaat beter sinds ze een vaste mentor heeft. Ze is wel depressief, maar wordt blij als ze op schoot mag en wordt geknuffeld.''

Het duurt zo lang voordat ze teruggaat, omdat de kinderrechter eerst moet vaststellen of ze onder Therapeutische Gezinsverpleging moet gaan vallen of niet. Een andere rechter moet beslissen of de moeder van het meisje uit de ouderlijke macht mag worden gezet. De moeder is daartegen in beroep gegaan. En dan moet de Therapeutische Gezinsverpleging – want die wordt het – nog onderzoeken of de familie Van Straaten wel geschikt is als pleeggezin. En er is een wachtlijst. Dat er al zeven jaar een ander pleegkind is, doet er niet toe. Het rapport is er pas in maart 1994. Er staat in: ,,Aspirant pleegmoeder biedt duidelijke structuur en regels. Aspirant pleegvader is wat zachter. Dit is precies wat (...) nodig heeft: warmte, duidelijkheid.'' Dan duurt het tot 2 mei tot de voogd belt: de familie Van Straaten mag 25 mei op bezoek bij hun pleegdochter. Laura van Straaten: ,,Ik dacht, ze zal ons wel niet meer kennen. We komen aan, ze kijkt naar de kinderen, ze kijkt naar mij, en opeens zie ik dat stralende koppie.'' Het meisje is dik geworden. Ze heeft hoofdluis. Ze praat slecht. Haar mentor zegt dat ze somber is en weinig doet. Laura van Straaten: ,,We namen haar mee naar buiten, ze vond alles prachtig. We bliezen paardebloempluizen, jaren later had ze het er nog over.'' Na nog tien bezoekjes mag het meisje mee naar huis.

De eerste, halfjaarlijkse evaluatie van de Therapeutische Gezinsverpleging is van augustus 1994. Het meisje gaat naar een medisch kinderdagverblijf, maar het gaat boven verwachting goed met haar. Wel huilt ze vaak 's nachts in haar slaap. Ze propt haar laken in haar mond. En overdag kan ze niet stoppen met eten. Het verdrietigst is ze als haar moeder heeft beloofd om te komen, en niet komt. ,,Dan wilde ze een mooi jurkje aan, en er moesten gebakjes en cadeautjes zijn. En dan stonden we maar te wachten op het station. Eerste trein, geen mama. Tweede trein, geen mama.'' Op het laatst, zegt Laura van Straaten, sprak haar pleegdochter nooit meer over haar moeder. Ze is nu overleden – door alcohol.

In het verslag dat het medisch kinderdagverblijf in april 1995 over het meisje maakt staat: ,,(...) is een pittig meisje met een sterke eigen wil. Ze is over het algemeen vrolijk en gezellig, al broeit er soms wel iets. Ze kan agressief en boos zijn, schelden en spugen.'' Maar verontrustend is het niet. Het meisje kan naar een gewone basisschool. Ze gaat op zwemles, op turnen, later ook op wedstrijdzwemmen en naar de muziekschool. In de weekends gaat ze mee naar de stacaravan bij zee. In september 1997 noteert de begeleider van de Therapeutische Gezinsverpleging: ,,(...) is gezond, maakt een slimme indruk, kan zich goed concentreren, gaat naar groep 3, zit goed in haar vel, kan haar agressie goed beheersen.'' Er zijn alleen een paar tics: nagels trekken, neus kapotkrabben. ,,En dat eten'', zegt Laura van Straaten. ,,Dat bleef.''

Eind 1997 wordt de begeleiding van het meisje overgedragen aan het Orthopedagogisch Centrum Kennemerland. Ze krijgt speltherapie ,,om een extra bijdrage te leveren aan de sociale en emotionele ontwikkeling''. Haar therapeute is de eerste die zich zorgen begint te maken. Ze ,,kan niet door haar heen komen'', schrijft ze in een verslag. ,,Ze gaat geen relatie aan, ziet therapeute als instrumenteel voor behoeftebevrediging.'' En: ,,Ze weet niet wie ze is en ze is bang niet te voldoen aan normen van anderen.'' De evaluatie van mei 1998 van het Orthopedagogisch Centrum Kennemerland is nog positief. ,,Ze zit goed in haar vel.'' Maar daarna – het meisje is dan bijna 8 – gaat het mis.

,,Het begon op school'', zegt Laura van Straaten. ,,Ze werd gewelddadig. Ze duwde een kind bijna van de trap. Een vriendinnetje deed iets heel onschuldigs en toen begon ze haar ongelooflijk hard aan de haren te trekken.'' Na nog een paar incidenten schorst de school haar. ,,Ze moesten wel. Ze kenden ons heel goed, al onze kinderen waren daar geweest. Maar dit was onverantwoord.'' Op een zaterdag ziet Laura van Straaten, met een tas vol boodschappen, opeens dat haar pleegdochter expres een stap zet als er net een auto aankomt. Een paar dagen later ziet ze haar uit haar slaapkamerraam hangen. Op een zondag begint het meisje opeens te gillen en te schoppen en alles om zich heen te slopen. Na een paar uur weet Laura van Straaten haar samen met haar zoon in de auto te krijgen en rijden ze met haar naar de polikliniek kinderpsychiatrie van het AMC in Amsterdam. Daar is het meisje al geweest voor een intake, doorgestuurd door het Orthopedagogisch Centrum Kennemerland, omdat ze zo'n depressieve indruk maakt. ,,In het AMC verbaasden ze zich erover dat ze zo plotseling was veranderd'', zegt Laura van Straaten. ,,Ze zeiden dat ze misschien een tumor in haar hoofd had.'' Ze krijgt haar pleegdochter diezelfde middag weer mee naar huis, met medicijnen, om haar rustig te maken.

Slecht geweten

Het duurt tot december 1999 voordat het meisje in het AMC aan de beurt is voor onderzoek. Het is dan al wel duidelijk dat ze geen tumor heeft. Het verslag van het onderzoek, uitgevoerd door de Argonaut, is van 6 september 2000. De Argonaut is de kliniek voor kinderpsychiatrie van het AMC. De diagnose: ,,Sombere stemming, zeer matig zelfbeeld, zwakke impulscontrole, streng ontwikkeld geweten.'' Over dat laatste zegt Laura van Straaten: ,,Ik weet niet of dat zo is. Ze zegt nooit sorry. Aan de andere kant wil ik er ook niet aan dat ze helemaal geen geweten heeft. Ik heb geen idee wat er in dat koppie van haar omgaat.'' De diagnose luidt verder: ,,Er lijkt sprake van een gestoorde hechting. Onveilig als gevolg van ernstige traumatisering. Oppositionele gedragsstoornis. Depressieve stoornis. Neurologische schade, mogelijk ADHD.'' Het voorgestelde beleid: behandeling met Prozac (tegen depressie) en Dipiperon (tegen agressie, impulsiviteit, wanen), en opname op een afdeling voor jonge kinderen met hechtingsstoornissen.

Het AMC probeert haar in het Triversum in Alkmaar te krijgen. Maar daar is geen plaats. Het meisje moet tot januari 2001 wachten tot ze terecht kan in de Klipper, een afdeling van de Argonaut. Tot die tijd is ze thuis, ze kan niet naar school. Laura van Straaten neemt vakantie op, later onbetaald verlof. Voor de eerste keer laat ze de voogd weten dat ze haar pleegdochter zo niet veel langer meer bij zich kan hebben. In de evaluatie van het Orthopedagogisch Centrum Kennemerland van oktober 2000 staat dat het meisje zichzelf verwondt, zelfmoordpogingen doet, overmatig eet en snoept, dingen vernielt, niet luistert, scheldt en dreigt. De medicijnen lijken niet te helpen. Laura van Straaten: ,,Ik denk, wat loopt dat kind toch raar. Voorovergebogen, als een oud vrouwtje.'' Het zijn bijwerkingen. Een andere bijwerking is dat het meisje nooit meer vrolijk is of lacht. Ze gaat zich steeds slechter gedragen. Uit de evaluatie: ,,Pesterig, treiterig. Ze pikt veel.'' Laura van Straaten: ,,Je probeert rustig en netjes te blijven. Je probeert de dag door te komen.'' Haar andere kinderen, zegt ze, hebben het flink te verduren gehad. Maar ze zegt ook dat haar kinderen nooit zeiden dat het meisje weg moest. Het heeft, denkt ze, wel invloed gehad op de keuzes voor hun eigen leven. Haar oudste dochter is ergotherapeute bij kinderen met gedragsproblemen. Haar zoon is net afgestudeerd als psycholoog. Haar jongste dochter studeert psychobiologie in Amsterdam. De andere pleegdochter woont nu bijna twee jaar in een instelling voor kinderen met gedragsproblemen. ,,Voor kinderen zoals zij is wel plaats'', zegt Laura van Straaten. ,,Zij is veel minder extreem.''

Negen maanden – zo lang staat er voor een opname in de Klipper. De pleegdochter van Laura en Gerard van Straaten zal het niet halen. ,,De eerste week was ze rustig'', zegt Laura van Straaten. ,,Daarna begon het.'' Ze weet nog dat ze haar op een avond met haar zoon ging opzoeken. ,,In de gang gleden we al uit over het eten. Ze was samen met een jongen uit de groep het servies tegen de muren aan het smijten.'' Er was alarm geslagen, hulpverleners van andere afdelingen kwamen aanrennen. ,,En dan is het één, twee, drie, en dan schieten ze allemaal tegelijk naar binnen, hup, erbovenop.'' Laura van Straaten had haar pleegdochter zelf al beetgepakt. Ze vertelt dat het meisje iedere keer weer werd opgesloten in wat de groene kamer werd genoemd. ,,Dan ging ze helemaal door het lint.''

De Argonaut heeft te weinig personeel. Het personeel dat er wel is, kan de kinderen van de Klipper niet aan. Er zijn veel ziekmeldingen. In mei 2001 besluit de directeur van de Argonaut om de Klipper te sluiten en de kinderen naar huis te sturen. Het bericht komt in alle kranten, en Laura en Gerard van Straaten worden door de Amsterdamse televisie AT5 uitgenodigd om samen met de directeur van de Argonaut uit te leggen wat er is gebeurd. ,,We durfden geen kritiek te leveren'', zegt Laura van Straaten. ,,Je wilt het die mensen niet nog moeilijker maken. En je wilt je kind beschermen. Maar het was heel schokkend. Het waren allemaal ernstig zieke kinderen. En ze werden er gewoon uitgezet.'' De pleegdochter van Laura en Gerard van Straaten, 10 jaar, mag tot de zomervakantie nog naar de school van de Argonaut. Daarna is er niets meer. En niemand doet iets – de Argonaut niet, de voogd ook niet. ,,De voogd is verantwoordelijk'', zegt Laura van Straaten. ,,Wij bepalen niet waar onze pleegdochter heen gaat of wat er met haar gebeurt. Wij mogen haar niet eens medicijnen geven zonder toestemming van de voogd. Dus ik belde haar en ik zei: wat nu? Ze wist het niet.'' Laura van Straaten regelt zelf dat er twee middagen in de week hulp komt van Thuiszorg Gehandicapten. En ze vindt een plaats op een zmok-school. Binnen drie maanden gaat het daar ook mis. ,,Ze viel het hoofd van de school aan. Daarvoor had ze al een keer kluiten aarde tegen de ramen gegooid. En ze schold de juf uit.'' Het meisje mag niet meer terugkomen. Op een middag valt ze ook een van de vrouwen van Thuiszorg Gehandicapten aan. En op een avond haar pleegvader. ,,Ze had eerst alle cd's door het huis gegooid. Haar hele kamer lag al op de gang.'' Laura van Straaten belt de crisisdienst van het Riagg, maar daar wordt niet opgenomen. Dan belt ze de huisarts. Die schrijft Valium voor. De buurvrouw moet komen helpen om het meisje in bedwang te houden.

Een paar weken later, het is dan december 2001, krijgt het meisje weer zo'n aanval. Dan is de crisisdienst wel te bereiken. De psychiater die langskomt vindt dat ze onmiddellijk moet worden opgenomen. Hij is van 7 uur 's avonds tot 1 uur 's nachts bezig om een plaats voor haar te vinden. Om 2 uur 's nachts rijden ze met haar naar een psychiatrisch ziekenhuis in Den Haag. Na twee dagen wordt ze doorverwezen naar het Triversum in Alkmaar. Daar willen ze haar niet houden, omdat ze nog in behandeling is bij de Argonaut. Maar de Argonaut wil haar zeker niet meer hebben. In maart 2002 gaat ze, 11 jaar, naar de crisisopvang voor 14- tot 20-jarigen van het AMC. Ze leert daar onder andere hoe ze met glas in haar lichaam kan snijden. Ze belandt in de isoleercel, nadat ze een begeleidster zo hard in haar borst heeft gebeten dat die wekenlang ziek thuisblijft. Na drie maanden kan ze naar het psychiatrisch kinderziekenhuis van het RMPI in Rotterdam. De eerste zeven weken, is de afspraak, zijn streng. Geen bezoek, geen contact met haar pleegouders. ,,Die zeven weken haalde ze niet'', zegt Laura van Straaten. ,,Na vier weken werden we gebeld. Ze was door een van de jongens uit haar groep verkracht.'' De voogd is er niet bij als Laura en Gerard van Straaten met het RMPI bespreken wat er nu moet gebeuren. Hun pleegdochter daar laten willen ze niet. De psychiater heeft er begrip voor dat ze haar maar liever weer mee naar huis nemen. ,,En daar vertelde ze'', zegt Laura van Straaten, ,,dat ze die hele verkrachting had verzonnen.'' Ze had het verhaal uit de Break-Out gehaald, een blad voor pubers.

Opsluiten

Die zomer gaat het meisje voor de eerste keer naar Frankrijk, voor zeven maanden. De psychiater van het RMPI heeft dat geregeld. Het ziekenhuis heeft daar een centrum waar kinderen met psychiatrische problemen heen kunnen. Het meisje wordt ondergebracht op een boerderij, bij een Nederlandse familie. De afspraak is dat de voogd ondertussen een plaats zal gaan zoeken in een Nederlandse instelling. Maar als het meisje terugkomt, is die plaats er niet. ,,Dat was zo jammer'', zegt Laura van Straaten. ,,Ze was aardig opgeknapt in Frankrijk.'' Laura en Gerard van Straaten hadden toen ook al gezegd dat ze haar niet meer in huis wilden hebben. Het meisje gaat voor twee weken naar een pleeggezin in Amsterdam. En dan wil de voogd dat ze wordt opgesloten in een justitiële jeugdinrichting. Maar als de kinderrechter dat niet goed blijkt te vinden, komt het meisje toch weer thuis. Er weer is er niemand die iets doet – ook al heeft de rechter bevolen dat er hulp moet komen. ,,Ik dacht, dan ga ik zelf maar weer bellen'', zegt Laura van Straaten. In een brief van het RMPI had ze gelezen dat de psychiater bij haar pleegdochter autisme vermoedt. Ze belt het RMPI en stelt voor dat ze met het meisje naar het autisme-team van het Riagg gaat. ,,Dat vonden ze een goed idee.'' Maar bij het Riagg zeggen ze dat ze eerst weer naar het AMC moet. En bij het AMC verwijzen ze haar naar het RMPI, want daar is het meisje het laatst in behandeling geweest. Er gaan een paar maanden overheen. En dan is er, in juni 2003, een gesprek met Jeugdzorg, het RMPI, het AMC, het Riagg en de school waar het meisje na Frankrijk heen is gegaan. ,,Een gesprek was het eigenlijk niet'', zegt Laura van Straaten. ,,Iedereen zat elkaar aan te kijken. Het AMC was trouwens niet eens gekomen.'' Uiteindelijk biedt het autisme-team van het Riagg aan om het meisje te onderzoeken. Maar er is wel een wachtlijst. ,,Dat onderzoek'', zegt Laura van Straaten, ,,is nu net begonnen.''

Kort voordat het meisje weer voor twee maanden naar Frankrijk mag, steekt ze de gordijnen in haar slaapkamer in de brand. Op een avond beukt ze het hele meubilair in elkaar. Valium helpt deze keer niet, en de psychiater van de crisisdienst wil niet komen. ,,De volgende dag hadden we toevallig een afspraak bij het Riagg'', zegt Laura van Straaten, ,,Daar waren ze het met ons eens dat ze meteen moest worden opgenomen.'' Maar hoe lang er ook wordt rondgebeld, ze kan nergens heen. Dus gaat ze weer mee naar huis, met een hoge dosis Dipiperon en Valium. De volgende dag kan ze niet eens meer praten. ,,Als ze zwakzinnig was geweest, was het misschien wel gelukt. Voor zwakzinnige kinderen is er meer plaats.'' De broer van het meisje, met een laag IQ, is al jaren geleden opgenomen.

Gerard van Straaten heeft de videoband uit Frankrijk nog niet gezien. Hij denkt dat hij er niet tegen kan om zijn pleegdochter te horen vertellen hoeveel spijt ze heeft en hoe ze haar leven zal beteren. Maar Laura van Straaten kan inmiddels onbewogen kijken naar de hulpverlener die tegen haar pleegdochter zegt dat hij ,,zelf vindt dat het heel goed met haar is gegaan, en wat vind je er zelf van?''

Laura van Straaten zegt: ,,Ze is slim genoeg om te weten wat ze moet antwoorden.'' En: ,,Ik heb haar te vaak horen zeggen dat ze haar best zal doen. Ik weet nu dat het onmogelijk voor haar is.''

Wilt u reageren, stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf naar het

Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987,

3009 TH Rotterdam.