Wat bezielt de kampeerder?

Zo'n 50.000 bezoekers bezochten afgelopen week de Kampeer & Caravan jaarbeurs in Utrecht. Maartje Somers houdt een lofzang op de kampeerder.

Het Werktheater maakte er in 1978 een voorstelling over, doeltreffend genaamd Camping. De satirische dichter Frank Koenegracht publiceerde in 1976 een dichtbundel die Camping De Vrijheid heette, en rond diezelfde tijd bracht Neerlands Hoop het nummer Ik voel me eenzaam op de camping. Verder zijn er nog wat zomerse buitenvoorstellingen en televisieprogramma's over campings gemaakt, reality-soaps bij de commerciële omroep. Maar dat is het wel zo'n beetje. Elders, buiten het veld van luchtig amusement, is de camping een cultuurfenomeen waarin vrijwel niemand zich nog verdiept heeft. Gemiste kans. Er dienen snel dikke boeken over de camping te verschijnen, sociologische en historische studies. Er moet een wetenschappelijk symposium aan gewijd worden.

Want stel, na een apocalyptische ramp verdwijnt met de mensheid ook de camping van de aardbodem. Wat moeten postapocalyptische archeologen dan denken van al die metalen en hardplastic puntige staafjes die zij her en der in de aardbodem zullen aantreffen? Waren het wapens? Eetgerei? Wat van al die waslijntjes, wiebelige tafeltjes en blauwe gasflesjes, wat van al die witte vrachtwagens die er van binnen kennelijk uitzagen als complete doorzonwoningen? Wat denken de sociologen als zij de overblijfselen vinden van wat vermoedelijk talloze uitgestrekte, welvoorziene vluchtelingenkampen zijn geweest? Daar lijken al die geïmproviseerde onderkomens immers nog het meest op te duiden, al wekt het wel verwondering dat er geen rode-kruisposten waren. En wat zette dan al die volksverhuizingen in gang?

TIJDELIJKE DORPEN

Aan de literaire overlevering zullen de toekomstige wetenschappers niets hebben, want de camping ontbreekt voor zover ik heb kunnen nagaan in het reisverhaal, zoals hij ook ontbreekt in serieuze romans, in speelfilms, popsongs en opera's. De camping, kunnen we rustig stellen, is niet glamoureus.

De camping is wel populair, vooral in Nederland. Wij zijn zo ongeveer de gretigste kampeerders van Europa. De ANWB telde vorig jaar 55 miljoen kampeerovernachtingen van Nederlanders – 18 miljoen in eigen land, 36 miljoen in het buitenland. We bezitten met zijn allen maar liefst 550.000 toercaravans en vouwwagens, waarvan er 60.000 een vaste standplaats hebben. Vorig jaar werden er in Nederland 25.000 caravans verkocht, dat is een derde van de Europese markt.

De camping is ook fascinerend. En dan bedoel ik niet zozeer de kleine grasveldjes bij boeren, maar eerder de tijdelijke dorpen, steden en metropolen die 's zomers overal verrijzen, compleet met nutsvoorzieningen, en commissies voor sportieve en culturele activiteiten, hele samenlevingen in het klein. Campings zijn fraaie sociologische laboratoria zoals je ze verder nergens treft.

Bijvoorbeeld: haal mensen uit hun huis, verplaats ze naar elders en ze gaan onmiddellijk een nieuw territorium afbakenen en een nieuw nest bouwen. De kamperende mens staat daarom niet graag middenop een open grasveld; hij kiest een plek bij een boom, tegen een heg, met rugdekking. Schattend wordt het terrein bekeken, de waslijn wordt strategisch geplaatst. Hij gunt u natuurlijk het aloude recht van overpad, maar dit beschouwt hij nu wel als zíjn erf.

TERRITORIUMDRIFT

Op de camping blijkt de mens een dier. Wie 's avonds terugkomt van een tochtje en volledig blijkt te zijn ingebouwd, krijgt last van territoriumdrift en heeft moeite om de nieuwe buren toe te knikken. Persoonlijke ruimte blijkt iets waar je op een camping flexibel mee moet omgaan, het is bovendien een rekbaar begrip. Je nieuwe Spaanse buren vinden het doodnormaal dat ze hun onbeschoft grote SUV zo ongeveer in je tent geparkeerd hebben. Hun eigen privacy kan ze ook weinig schelen, ze delen juist graag hun routine met je. De auto zoemt, want de airco moet aanblijven. Ook heeft de auto een ingebouwd teeveetje, waar vader en het oudste kind tot diep in de nacht naar zitten te kijken. Ondertussen probeert de moeder in de snikhete tent vergeefs de krijsende baby in slaap te krijgen.

De camping maakt van mensen wel tolerante dieren. Een beetje kampeerder klaagt niet over andermans vieze haren in de wasbak, over burengerucht, over de doordringende geur van barbecues. Er staat namelijk iets tegenover: gezelligheid. Trekkers als fietsers en wandelaars doen op campings eigenlijk niet mee. Zij gebruiken ze als uitvalsbasis. De ware campingmens komt in al die weken niet van zijn camping af.

Want zodra in de eerste behoeftes – onderkomen en territorium – is voorzien, begint de kamperende mens onmiddellijk aan het versterken van het sociale weefsel met zijn soortgenoten. De kleintjes vertrekken al onderhandelend naar de speeltuin, de oudere kinderen naar het zwembad. De ouders – zeker als ze Frans of Spaans of Italiaans zijn – trekken uren uit voor de lunch, die met een kort intermezzo voor koken en afwas overloopt in het avondeten.

Wie daarna nog kan bewegen organiseert 's avonds petangue- en kaarttournooien. Hoogtepunt is vanzelfsprekend de wekelijkse karaoke-avond, waar kinderen en volwassenen een eind in de ruimte kraaien terwijl de kleuters wankele bewegingen maken op de dansvloer, als kleine dronkemannen. Oma's en opa's kijken onbewogen toe, ondanks het toch indrukwekkende volume. Zevenjarige meisjes doen Christina Aguilera, schriele huisvaders vertonen een voorkeur voor licht erotische chansons uit de vroege jaren zeventig. Datzelfde volume staat garant voor voldoende opkomst bij dit festijn voor jong en oud; slapen kan toch niet.

RIJ VOOR DE DOUCHE

Misschien zouden politici in hun streven naar globalisering en 24-uurs economie eens moeten kijken naar hoe het er op familiecampings aan toegaat. In de grote stad kennen we onze buren niet, maar op de camping is dat anders. In deze primitieve, overzichtelijke gemeenschap blijkt dat de mens toch meer is dan een dier. Op de camping is hij in aanleg een voorbeeldig burger, ruimdenkend, tolerant en barstend van gemeenschapszin. De Rotterdamse hoogleraar cultuur- en maatschappijgeschiedenis Henri Beunders heeft eens vastgesteld dat we allemaal nostalgischer worden naarmate ons leven meer door techniek en anonimiteit geregeerd wordt. De kamperende mens voelt zich opgenomen in een dorpsgemeenschap, zoals hij meent dat dorpsgemeenschappen vroeger waren. Het tijdelijke karakter van de camping versterkt dat gevoel; de campingmens trekt de hele dag met wildvreemden op omdat hij na een paar weken toch weer weggaat. Een goede camping garandeert verbroedering met behoud van anonimiteit.

Vandaar dat we er niet tegenop zien om onze intimiteiten te delen. Op de camping blijkt dat de mens zijn gêne snel verliest. Hij schaamt zich er niet voor om over het terrein te snellen met in zijn ogen een opgejaagde blik en in zijn hand een dikke, wapperende wc-rol. Ook blijkt het helemaal niet erg, om pal naast wildvreemden je tanden te moeten poetsen, in een rij te moeten wachten op een douche of even je buren te helpen aan lucifers, spaghetti of gas. Toegegeven, erg multicultureel zijn de meeste campings niet; het is dus onduidelijk of de tolerantie van de kamperende mens zich ook uitstrekt tot soortgenoten van een andere godsdienst of cultuur.

Wel kan een gebrek aan haast veel zaken relativeren. De kamperende mens, die onder andere omstandigheden 's ochtends chagrijnig elk oogcontact met vreemden mijdt, schept er nu aardigheid in naar zijn ontwakende buren te kijken. Zie het amusante slaaphaar van wildvreemden, die slaapdronken en nog vormeloos uit hun tent krabbelen, zich kratsend op plaatsen waar je dat doorgaans in het openbaar niet doet. Het is de mens voordat hij mens is, namelijk voordat hij zijn gezicht gewassen heeft.

Er is nog een reden waarom politici eens goed op campings zouden moeten rondkijken. Daar blijkt overduidelijk dat efficiency en snelheid niet alles zijn; het levert ook winst op om in het dagelijks leven zaken onpraktisch en inefficient aan te pakken. De clou van kamperen is duidelijk: elke dagelijkse handeling – wassen, koken, opruimen – wordt zo omslachtig, dat voor stress geen plaats meer is. Na een korte overgangsperiode waarin men nog geërgerd probeert om orde te scheppen, schoon te blijven of hygiënisch een maaltijd te bereiden, legt iedereen zich neer bij de vergeefsheid van zijn streven. En vrijwel meteen betaalt dit zich uit in meer levensvreugde, dalende frustraties en afnemende agressie.

LAPTOP

Het is duidelijk: de mens, en zeker de kamperende mens, vindt zijn bestemming in gerommel. Logisch, want uit de overgave waarmee met stenen op haringen wordt gehamerd en primitieve houtvuurtjes worden gestookt blijkt zonneklaar dat de vroegste mens een campingmens was, zijn wereld een lommerrijke camping. Wij zijn kampeerders in het diepst van onze ziel. Wie thuis zuchtend de dagelijkse maaltijd de magnetron inschuift, is nu naar volle tevredenheid een kwartier bezig om met een slecht mesje op een piepklein plankje een harde aardappel te snijden. In de rij staan is hartstikke gezellig en van spaghetti met zand of sla met een torretje blijk je niet dood te gaan. Intens voldaan zag ik deze zomer een man naar de plastic frisdrankflessen kijken, die hij zojuist met veel moeite had gehalveerd en vervolgens zorgvuldig over zijn tentharingen had geplaatst. Dit ter bescherming van de voeten van zijn medekampeerders. Hoe zorgzaam wilt u uw samenleving hebben?

Toch is de moderne kamperende mens van frustraties niet vrij. Voortdurend wordt hij heen en weer geslingerd tussen zijn hang naar primitiviteit en zijn beschavingsdrang. Enerzijds wil hij eropuit, de vrije natuur in, de confrontatie aan met de elementen. Anderzijds kan hij het niet laten zich voortdurend met accessoires te omringen die hem daarvan juist afhouden. Naast afdruiprekken, matrasdikke slaapmatten, comfortabele fauteuils, geavanceerde windschermen en vanzelfsprekende eerste levensbehoeften als ghettoblasters, gsm's en televisieschotels, zag ik deze zomer laptops en keyboards en elektrische tandenborstels op campings, benevens eetkamerameublementen en keukenuitrustingen die in een restaurant niet zouden misstaan. Op een boerderijcamping in Zuid-Limburg werd ik afgelopen voorjaar als armzalige fietser op de koffie gevraagd bij twee oudere echtparen die voor een caravan zaten te ontbijten. Of ik ook een broodje wilde; ja graag. Ik kreeg een vers wit puntje op mijn bord, dat rook of het zojuist uit de oven kwam. Trots vertelde mijn gastvrouw dat zij sinds kort in haar caravan een broodbakmachine bezat.