Vruchtbare bodem

Voordat de Spaanse kolonisten Zuid-Amerika veroverden was het Amazonegebied dichtbevolkt. De theorie van een onbewoonde jungle wordt ontkracht door archeologische resten van een onverwacht grote samenleving.

DE SPAANSE conquistador Francisco de Orellana had het allemaal gezien, toen hij in 1542 als eerste Europeaan de Amazone (stroomafwaarts vanuit Peru) helemaal afvoer. Aan de Spaanse koning Carlo I (`onze' Karel V) vertelde hij over zeer grote nederzettingen diep in het oerwoud, op een boogschot afstand van elkaar en over rivieroevers waar het wemelde van de krijgers. Tot voor kort geloofde niemand zijn verhaal, ook al omdat hij vertelde over een volk van vrouwelijke krijgers dat zou leven langs de Amazone (het verhaal waaraan de rivier haar naam dankt).

Gisteren publiceerde een groep Braziliaanse en Amerikaanse archeologen in Science een verslag van opgravingen in het nog vrij onaangetaste Xinguano-gebied niet ver van Manaus in het binnenland van het Amazonegebied die het onstuimige beeld van De Orellana bevestigen. De onderzoekers vonden wegen van tien tot 50 meter breed die een verbinding vormden tussen dorpen. Die dorpen waren duidelijk in clusters georganiseerd met telkens 3 tot 5 kilometer tussen de dorpen van een cluster. Sommige dorpen werden beschermd door tot vijf meter diepe greppels met soms een lengte van 2,5 km. In ieder cluster van dorpen woonden waarschijnlijk zo'n 2500 tot 5000 mensen ongeveer 200 mensen per dorp. Er waren echte publieke werken: kilometers lange greppels in en om die nederzettingen, bruggen, dammen, kanalen. De complexen stamden uit de periode 1250-1600. Een cluster met in totaal 19 dorpen is nauwkeurig onderzocht.

STEDEN

Het onderzoeksteam onder leiding van de Amerikaanse archeoloog Michael Heckenberger spreekt van ``een uniek voorbeeld van een tropisch-regenwoud-levenswijze die een grote, dichtbevolkte en geïntegreerde bevolking mogelijk maakte in de afgelopen duizend jaar''. Belangrijk is dat de dorpen in het begeleidend nieuwsstukje in Science wordt zelfs gesproken van `steden' – zijn aangelegd volgens een vooropgezet plan. Volgens Heckenberger wijst dat er op dat er nog veel meer van dit soort structuren te vinden moeten zijn. In feite heeft hij weinig minder dan de resten van een verloren grootschalige `landbouwbeschaving' gevinden. Een deel van de oude structuren wordt gebruikt door de lokale bevolking die hun dorpen nog altijd in dezelfde regelmatige vorm bouwen.

Volgens de onderzoekers was er indertijd ter plaatse geen sprake van oerbos, maar in feite van een door mensen gecreëerd en in standgehouden `parklandschap'. De woonplaatsen van één cluster beslaan een oppervlak van 40 tot 80 hectare in een totaal gebied van ongeveer 400 km² (= 40.000 ha), voor een oerwoud is dat behoorlijk veel bebouwing, veel meer dan tegenwoordig in het gebied. De geschatte bevolkingsdichtheid was indertijd 6 tot 12 mensen per km² een dichtheid die vergelijkbaar is met die van Tsjaad of Somalië. In de periode 1600-1700 was het afgelopen, en was er sprake van grote ontvolking, waarschijnlijk door epidemieën, zo bleek uit eerder onderzoek van Heckenberger. De meeste wegen en greppels raakten overgroeid.

De bevindingen van Heckenberger c.s. vormen een nieuwe stap in een felle discussie over de levenswijze en bevolkingsdichtheid in Zuid-Amerika voor de komst van de Europeanen in 1492. De traditionele opvatting werd gevestigd in de jaren vijftig toen de Amerikaanse archeologe Betty Meggers vaststelde dat het tropisch oerwoud wel een hoorn des overvloeds lijkt, maar dat het in werkelijkheid een `namaak paradijs' is (counterfeit paradise). Het oerwoud bestaat dankzij een dun vruchtbaar humuslaagje, dat heel snel verdwijnt als het woud op de een of andere manier wordt aangetast. De gele en rode aarde daaronder is notoir onvruchtbaar. Om die reden wordt het tropisch regenwoud ook wel een `natte woestijn' genoemd. Een complexe landbouwsamenleving zou er nooit kunnen ontstaan. De desastreuze effecten van de grootschalige ontginning van het oerwoud die sindsdien is begonnen, geven Meggers ook gelijk.

Maar de laatste twintig jaar trekt een opmerkelijk fenomeen steeds meer de aandacht van ecologen en archeologen: grote oppervlaktes met zwarte aarde. Deze terra preta de Indio (indiaanse zwarte aarde), zoals het lokaal bekend staat, beslaat volgens schattingen wel tien procent van de oppervlakte van het Amazonegebied en is bezaaid met oude precolumbaanse potscherven. Vorig jaar zomer werd in Brazilië een congres aan het fenomeen gewijd (Science, 9 augustus 2002).

De zwarte aarde bevindt zich meestal op lage heuvels die uitkijken over een rivier, typisch een plek waar ook de huidige bevolking van het gebied graag woont – beschermd tegen overstromingen. De zwarte grondlaag is 60 tot 200 cm diep en is zo vruchtbaar dat die vaak als potgrond wordt verkocht. De schrijver van de News focus vorig jaar in Science, Charles C. Mann, beschrijft zelfs hoe hij bloembakken vol terra preta op een Braziliaans vliegveld zag staan, compleet met precolumbiaanse potscherven. Dezelfde zwarte aarde is ook gevonden in en bij de complexen in Xinguano-gebied.

OUDE TRADITIE

Al in 1980 werd het eerste wetenschappelijke artikel geschreven over de zwarte aarde, maar veel aandacht trok het toen nog niet. De oude traditie van het counterfeit paradise was nog sterk. Maar toen de zwarte aarde eenmaal nauwkeuriger onderzocht werd, was ook de hoeveelheid potscherven verbijsterend. ``Er liggen letterlijk honderden miljoenen potscherven in sommige grotere nederzettingen'', zei de archeoloog James Peterson daarover vorig jaar tegen ABC. Dat wijst erop dat er enorme hoeveelheden mensen moeten hebben geleefd.

Uit analyses van de grond blijkt dat het geheim van de vruchtbaarheid waarschijnlijk bestaat uit het hoge gehalte aan houtskool, waardoor voedingstoffen goed worden vastgehouden. De zwarte aarde is dan ook niet ontstaan door de `gewone' slash and burn-ontginning (`kappen en branden') zoals die nu routinematig in het Amazone-gebied wordt toegepast. Daarbij geeft de as van het afgebrande woud een tijdelijke vruchtbaarheid aan de grond, die door uitspoeling echter al snel uitgeput raakt. De boeren trekken dan naar een volgend stukje bos om af te branden. Op de een of andere manier werd dus vroeger een minder totale verbranding toegepast.

UITWERPSELEN

Uit veldproeven blijkt dat houtskool ook niet voldoende is voor de vruchtbaarheid. Volgens de chemicus Bruno Glaser van de Duitse Universiteit van Bayreuth, die veel onderzoek aan de terra preta heeft gedaan, werd mest toegevoegd, waarschijnlijk in de vorm van ``uitwerpselen en organisch afval''. Waarschijnlijk spelen ook bepaalde micro-organismen een rol.

Het effect is groot. In proefveldjes met houtskool en kunstmest was de opbrengst aan rijst en sorghum maar liefst 880% hoger dan in veldjes met alleen kunstmest. Sommige onderzoekers maken een onderscheid tussen de `eigenlijke terra preta' die rond oude nederzettingen wordt gevonden en de `terra mulatta' in het gebied daaromheen. De terra mulatta is lichter en vaak vermengd met as. De huidige indiaanse boeren in het gebied gebruiken vooral de terra mulatta voor de landbouw.

Waarschijnlijk leefden de precolumbiaanse beschavingen in het Amazone-gebied van een soort combinatie van landbouw en bosbouw. Uit voorlopige onderzoekingen van plantenresten in de archeologische opgravingen blijkt dat maïs en maniok werden verbouwd, maar werden ook de resten van dertig verschillende vruchten- en notenbomen gevonden. Maar nog altijd onbekend is hoe de terra preta precies gebruikt werd, en ook of ze een bewuste creatie was of het toevallige resultaat van de combinatie van houtskool en vuilnisbelten. Al wel duidelijk is dat zonder verder onderhoud langdurige bebouwing van de terra petra leidt tot uitputting.

Overigens woedt er ook al een discussie over waartoe verder inzicht in de terra preta zal leiden. Volgens sommigen zal verbetering van de landbouw alleen maar leiden tot verdere aantasting van het Amazonewoud, omdat het meer mensen zal aantrekken en dat leidt nu eenmaal altijd tot vernietiging van het natuurlijke landschap. Anderen zijn optimistischer. ``We moeten af van het Bambi-syndroom dat alle ontwikkeling in de tropen leidt tot rampen'', zegt de geografe Susanna Hecht in Charles Manns artikel van vorig jaar. ``Mensen zijn daar al duizenden jaren bezig met landbouw. We moeten nu leren om het net goed te doen als zij.''