Verloren met 5-1: een mooi resultaat

Toen na een jaar van politieke chaos Nederland serieus ging meedoen aan het debat over de Europese grondwet, was het al bijna ten einde.

Lef valt premier Jan Peter Balkenende niet altijd te ontzeggen. In het eindspel van de Conventie over een Europese grondwet ging vrijwel geen enkele wens van zijn kabinet in vervulling. Nochtans bestempelde hij het resultaat als ,,een evenwichtig compromis'' en ,,een goede basis'' voor de komende onderhandelingen tussen de EU-regeringen.

In de Tweede Kamer sloeg regeringspartij VVD, bij monde van Hans van Baalen, een heel andere toon aan: ,,Volsterkt onvoldoende.'' Zijn politieke tegenvoeter, PvdA'er Frans Timmermans die voor de Tweede Kamer aan de Conventie deelnam, ziet het als illustratie van ,,de paradoxale positie'' waarin Nederland zich in Europa heeft gemanoeuvreerd.

Nederland begon bijna twee jaar geleden met een handicap aan het debat. Paars II liep op zijn laatste benen, en was bovendien verdeeld. VVD-minister Jozias van Aartsen (Buitenlandse Zaken) vond dat de Conventie zich moest beperken tot het aandragen van ideeën en opties. Zijn rechterhand, PvdA-staatssecretaris Dick Benschop, zag als belangrijkste taak ,,het leggen van een nieuw politiek en ideologisch fundament onder Europa. Een soort `refondation'''.

Er volgde een jaar vol binnenlandse politieke turbulentie, die de belangstelling voor de politieke dimensie van Europa, in Nederland traditioneel toch al matig ontwikkeld, geen goed deed. Toen er uiteindelijk dit voorjaar, voor de tweede keer binnen een jaar, een nieuwe centrumrechtse coalitie aantrad, was de Conventie al in de eindfase beland. Conventie-watcher Jan Rood van Instituut Clingendael noemt het opvallend welk ,,ongekend activisme'' Nederland daarin aan de dag legde. ,,Alsof het een inhaalslag betrof.'' Ten aanzien van de Commissie en de Europese Raad stelde Nederland zich volgens hem ,,uitermate opportunistisch'' op.

Op deze en tal van andere onderdelen diende Nederland meer en minder principiële voorstellen in. Daaruit vallen zes kernpunten te destilleren.

Omvang van de Europese Commissie. Nederland stond aanvankelijk sympathiek tegenover verkleining van de Commissie. Dat zou op den duur betekenen dat niet elke lidstaat steeds `recht' zou hebben op (het voordragen van) een Commissaris. Maar dat was onverteerbaar, met name voor de nieuwe EU-landen. Met de Benelux-partners stond Nederland aan de wieg van het Conventie-compromis, waarin elke lidstaat toch een Commissaris `levert', met dien verstande dat er niet meer dan vijftien Commissarissen stemrecht hebben (per zittingstermijn roulerend tussen de lidstaten). Een meerderheid in de (nieuwe) Tweede Kamer sprak zich daarna uit voor één Commissaris met stemrecht per lidstaat, maar daarvoor bestond volgens premier Balkenende ,,nauwelijks draagvlak'' in de Conventie.

Europese Raad. Nederland was voor handhaving van het roulerend voorzitterschap van de Europese Raad van regeringsleiders. Samen met België en Luxemburg werd de ondergrens getrokken: ,,In elk geval zal de Benelux nooit een voorzitterschap aanvaarden dat buiten de Raad wordt gekozen.'' De Benelux mobiliseerde de andere kleine(re) EU-landen tegen afschaffing, want een vaste voorzitter was niets minder dan ,,een machtsgreep'' van de grote landen. De ontwerpgrondwet voorziet niettemin in een vaste voorzitter, te benoemen buiten de Raad. Wel is zijn mandaat beperkt.

Strafrecht. Nederland was nooit enthousiast voor Europese integratie bij strafrecht, maar uitgesloten werd het nimmer. Minister Piet Hein Donner van Justitie deed dat wel, en op zijn instigatie hield Nederland vast aan de geldende besluitvorming bij unanimiteit (vetorecht). In de Conventie was er nauwelijks bijval. De ontwerpgrondwet maakt dan ook meerderheidsbesluitvorming mogelijk. Daardoor wordt strafrechtelijke harmonistatie (op specifieke onderdelen) gemakkelijker afdwingbaar.

Financiën. Onderdeel van de Europese begroting zijn de `financiële perspectieven' (een soort meerjarenplanning). Voor de vaststelling (door de EU-ministers van Financiën) is unanimiteit vereist. Nederland, relatief de grootste nettobetaler aan de EU-begroting, wilde dit vetowapen achter de hand houden voor het geval andere EU-landen niet meewerken aan een evenwichtiger verdeling van de EU-lasten. De Conventie dacht daar anders over en hevelde deze kwestie over naar meerderheidsbesluitvorming.

Wetgevende Raad. Over Europese wet- en regelgeving beslist de Raad van Ministers, veelal in samenspraak met het Europees Parlement. Gaat het over geld, dan zijn dat de EU-ministers van Financiën, betreft het melkquota dan zijn het de EU-ministers van Landbouw. Nederland wilde dat zo houden, om de betrokkenheid van de vakdepartementen bij `Europa' te waarborgen. Maar de Conventie beschikte anders: alle eurowetten worden voortaan door een speciale Wetgevende Raad (van de EU-ministers van Europese Zaken) behandeld, en wel in het openbaar. Dat zou de besluitvorming doorzichtiger en toegankelijker moeten maken, ook voor publiek en media.

Buitenlandse politiek. Het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid wordt geformuleerd op basis van unanimiteit. Nederland wenste dat zo te houden. In de ontwerpgrondwet blijft het ook zo.

Uitslag: 5 - 1, in het nadeel van Nederland. Logisch dat Den Haag nog ,,enkele wensen voor verbeteringen'' (Balkenende) heeft voor de beslissende onderhandelingsronde. Daarbij lijkt het verzet tegen de Wetgevende Raad nog de meeste kans te maken, ook al omdat Duitsland daar mordicus tegen is. Bij `financiën' is er in elk geval Britse steun.

Rest de vraag waar de eerder genoemde tevredenheid (`een goede basis', `een evenwichtig compromis') vandaan komt. Het antwoord ligt besloten in een indrukwekkende reeks nieuwe spelregels die samen de Europese Unie als ,,een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid'' moeten versterken. Ze bakenen bovendien de bevoegdheden scherper af, maken het ingewikkelde Europese bestuur overzichtelijker en verankeren steviger de parlementaire legitimatie. Allemaal zaken die Nederland van harte onderschrijft.

Al met al spreekt Timmermans van de oppositionele PvdA van een ,,mooi resultaat'', terwijl het voor Van Baalen van de regeringspartij VVD ,,niet aanvaardbaar'' is. De laatste verlangt dat het kabinet alsnog ,,doorpakt''. Van Baalen: ,,Dat is in de eindfase van de Conventie niet gebeurd. Toen gedroeg Nederland zich als een konijn voor twee koplampen. Dat mag niet weer gebeuren, want op alle punten valt nog te scoren.''

Het kabinet-Balkenende laveert er tussenin. Het wil wel ,,verbeteringen'', maar ook weer niet het onderste uit de kan, omdat dat onvermijdelijk tot blokvorming van kleine landen zou leiden, terwijl Nederland juist een ,,tussenpositie'' koestert. Zo valt, met de hete adem van de VVD én het referendum over de EU-grondwet in de nek, nauwelijks een spannender voorbereiding te bedenken op het Nederlandse EU-voorzitterschap in tweede helft van volgend jaar. Ter geruststelling: het is, hoe dan ook, de allerlaatste keer.