Column

No music

Twintig minuten lang proberen we oogcontact met iemand van de bediening te krijgen. Zwaaien, lachen, knikken, zachtjes mevrouw roepen, kuchen, iets harder mevrouw roepen, zwaaien met twee handen, enzovoorts. Het is druk. Na twintig minuten zegt het meisje van de bediening dat ze zo komt. Ze is druk. Vijf minuten later begint de procedure opnieuw. Het is nog steeds druk. Zij ook. De mensen aan het tafeltje naast ons houden het voor gezien. Ik wuif mezelf een tafeltennispols en ga uiteindelijk op mijn hoofd op het tafeltje staan. Of er iets is? We willen iets eten en drinken. Of we niet zien hoe druk het is? Ja, dat zien we al twintig minuten. Ze brengt ons zo de kaart. Dat zo duurt een minuut of tien.

Onderhand zie ik met een kalfslederen tong en een poederdroge saharakeel oceanen aan Spa Blauw langskomen. We zoeken weer contact en na veel gedoe lukt het. De mevrouw komt en we bestellen. Er gebeurt weer lange tijd niks. Maar dat komt omdat het druk is. Uiteindelijk verschijnt er een wat nerveuze man met een groot blad vol drank. Hij brengt onze koffie. Die hebben we niet besteld. Dan neemt hij ze weer mee. Maar die twee blauwe Spaatjes op dat blad hebben we wel besteld. Maar die zijn voor het tafeltje naast ons. Het wordt hersteld. Kan even duren. Of we gezien hebben dat het druk is? Klopt. Het is druk.

Uiteindelijk worden de Spaatjes gebracht en voor de zekerheid bestellen we er meteen nog twee. Dat kan even duren, want het is druk. Na tien minuten verschijnt de mevrouw bij wie we het eten besteld hebben. Klein probleem. Het gerecht dat mijn vriendin besteld heeft is op. Kan gebeuren. Het is druk. Ze bestelt iets anders. De mevrouw verdwijnt. We zitten nu bijna een uur. Het eten komt. De salades zijn prima. Maar ze zijn er ook wel dusdanig lang mee bezig geweest dat het bijna niet anders kon.

We spreken de week door. Mijn vriendin kent de buren van Cerfontaine. Ze hadden zich onlangs geërgerd aan het slecht drummende zoontje van Gerlach en heel keurig gevraagd of het wat zachter kon. Het antwoord van de familie Cerfontaine was simpel: wat hun huis moest kosten?

Op dat moment verschijnt er een muzikant aan ons tafeltje. Ik gok een Albanees. Man met een accordeon. Hij vrolijkt het terras op. Ik ben gek op straatmuzikanten. Het grotestadsgevoel. Londen, Parijs, Rome en Amsterdam uiteraard. In een keer staat de mevrouw van het restaurant aan ons tafeltje. Zomaar uit zichzelf. We schrikken ons dood. Ze komt niet voor ons, maar voor de muzikant. Hij moet weg.

Waar de mevrouw het lef vandaan haalt, vraag ik me af. De muzikant loopt op de openbare weg. Beetje schuchter wil hij verdwijnen. Ik roep hem terug om hem in elk geval geld te geven en vraag aan de mevrouw waar ze de gore moed vandaan haalt om in een liberale stad als Mokum een straatmuzikant weg te sturen? Volgens haar vinden de mensen op het terras het niet prettig. Ik opper dat ze dan niet in de Amsterdamse binnenstad moeten komen, maar op een berghelling in het Schwarzwald moeten gaan zitten. Het restaurant ligt aan het Waterlooplein! Waar hebben we het over? Daarbij moet die gozer toch geld verdienen! Net als iedereen.

Volgens de mevrouw speelt hij door de muziek van het restaurant heen. Ik ben totaal verbaasd. Het grotestadsgevoel is zo nauw verbonden met de sprokkelende straatmuzikant, die terrasje voor terrasje wat centen bij elkaar scharrelt. En dan stuurt de mevrouw van de yuppentent hem weg. Ronduit schande. Ik probeer de man duidelijk te maken dat hij moet blijven, maar hij loopt door. Wat een getrut. Wat Amsterdam onwaardig! Het is jammer dat de Albanezen en de meeste andere straatmuzikanten de NRC niet lezen, anders zou ik ze oproepen om massaal naar het restaurant te komen en daar de hele dag te spelen. Ten eerste vinden de gasten het heerlijk en wat vooral belangrijk is: het veraangenaamt het tergende wachten. Waar ze moeten zijn? Bij Dantzig.