Met 61 woorden de wereld rond

Volgens de taalkundige Anna Wierzbicka kunnen met slechts 61 semantische basisbegrippen (`primitieven') álle andere woorden worden gedefinieerd. Maar misschien wordt `lang' het 62ste basisbegrip.

Taal bestaat uit zinnen, woorden en klanken. Maar het betekent ook iets, en met dat betekenis-aspect weten taaltheoretici niet goed raad. Er is de afgelopen decennia veel en vruchtbaar getheoretiseerd over de structuur van taal (de zinsbouw, de klankopbouw), maar het pad van de semantiek (betekenisleer) werd maar door weinigen betreden. Het lijkt wel alsof taalwetenschappers het alleen maar onhandig vinden dat zinnen ook nog iets betekenen.

Een van de uitzonderingen is de Pools-Australische taaltheoretica Anna Wierzbicka, die al veertig jaar lang werkt aan een alomvattende theorie over de semantiek. Haar centrale hypothese is dat de betekenis van álle woorden in álle talen herleid kan worden tot 60 à 70 basisbegrippen. Wierzbicka was enige tijd geleden een week in Leiden om aan de universiteit een masterclass te geven in haar theorie, die zij de theorie van de Natuurlijke Semantische Metataal noemt. Op een hotelkamer, met uitzicht op het Rapenburg, vertelde ze waar het idee vandaan komt.

``De Poolse linguïst Andrzej Boguslawski hield in 1964 een lezing aan de Universiteit van Warschau, waarin hij de gedachte lanceerde dat er zoiets moest zijn als een universele set van conceptuele basisbegrippen, die voor alle talen gelijk is en die uit niet meer dan honderd begrippen bestaat. Hij gaf drie voorbeelden, als ik me goed herinner: `iemand', `één', en `mens' of `dier', dat weet ik niet meer precies. Voor mij was zijn lezing een openbaring. Kort daarna kreeg ik een studiebeurs voor Moskou en daar kwam ik in aanraking met taalwetenschappers als Igor Meltsjoek, Joeri Apresjan en Alexander Zjolkovski, die taal vanuit de semantiek probeerden te beschrijven. Zij verwierpen de Amerikaanse benadering, van Bloomfield en Chomsky, die alleen naar de structuur van taal keken en niet naar de betekenis. Ik vond deze Russische benadering veel aantrekkelijker, de vraag: hoe zit de woordenschat in elkaar en hoe wordt de betekenis van taal gevormd.''

Wierzbicka heeft inmiddels, samen met haar Australische collega-onderzoeker Cliff Goddard, 61 semantische basisbegrippen geïdentificeerd, die ze primitieven noemt. Met deze primitieven kunnen volgens haar alle andere woorden gedefinieerd worden. Zelf zijn de primitieven niet definieerbaar, ze kunnen niet herleid worden tot begrippen die nog fundamenteler zijn. Bovendien, en dat is de meest radicale aanname van Wierzbicka's theorie: de primitieven zijn in álle talen terug te vinden, in de vorm van een woord of een ander soort lexicaal element (een uitdrukking of, in talen met veel samengestelde woorden, een woorddeel).

``We hebben de huidige lijst van 61 primitieven, die in de loop van dertig jaar onderzoek ontstaan is, de laatste jaren opnieuw uitgetest op acht zeer uiteenlopende talen'', vertelt Wierzbicka. Ze somt de talen op: Pools, Mandarijn, Maleis, Lao, Spaans, Koreaans, de Papoea-taal Mangaabe-Mbula en de Canadese Indianentaal Cree. Ze bekijkt op dit moment of er een 62ste primitief aan de lijst moet worden toegevoegd: het begrip `lang'. Een lastig geval, zegt ze. ``Het lijkt erop dat alle talen een woord hebben voor `lang'. Maar dat zegt niets. Er zijn een aantal woorden die in alle talen voorkomen, maar die toch herleid kunnen worden tot eenvoudiger begrippen, zoals het woord `hand'. Misschien is `lang' ook zo'n woord dat geen primitief is, maar wel in alle talen voorkomt. De vraag is: hoe definieer je `lang'? Bijvoorbeeld: een `lange' neus. Wat is dat?''

Wierzbicka wijst naar de punt van haar neus en vervolgens naar de plaats waar haar neus tussen haar ogen begint. ``In wezen zegt `lang' iets over hoe `ver' het is van dit `deel' naar dit `deel'. Dus het kan worden gedefinieerd met de begrippen `ver' en `deel'. Dat zijn allebei begrippen die op ons lijstje van primitieven staan. Je kunt je afvragen of dat psychologisch aannemelijk is, of dat ook werkelijk de manier is waarop mensen denken over lange neuzen. Mijn collega Cliff Goddard twijfelt. Hij denkt dat `lang' misschien wèl een primitief is. `Lang' speelt, net als `rond' trouwens, een belangrijke rol in het beschrijven van de fysieke wereld: dingen als stokken, komkommers, paraplu's. Om die te definiëren heb je het woord `lang' nodig.''

Wierzbicka noemt haar definities conceptuele configuraties. Ze zijn opgebouwd uit een aantal korte zinnen, die geformuleerd zijn in een soort `mini-Engels', dat alleen uit primitieven bestaat. De keuze voor het Engels is overigens willekeurig: aangezien de primitieven in alle talen voorkomen, kunnen de definities ook in iedere willekeurige taal geformuleerd worden.

Drie regels

Haar definitie van het Engelse woord plants (planten) beslaat drie regels: living things / these things can't feel something / these things can't do something. Haar definitie van sky (hemel) heeft er zes zinnetjes voor nodig: something very big / people can see it / people can think like this about this something: / it is a place / it is above all other places / it is far from people. En head (hoofd) definieert ze als volgt: a part of a person's body / this part is above all the other parts of the body / when a person thinks, something happens in this part.

Hoe komen deze definities tot stand? Veel collega-taalwetenschappers vinden haar aanpak te introspectief, te persoonlijk en oncontroleerbaar.

``Natuurlijk begint het altijd met introspectie'', zegt Wierzbicka. ``Dat is onvermijdelijk. Ik probeer eerst voor mezelf na te gaan wat een woord betekent en hoe ik het gebruik. Op basis daarvan formuleer ik een eerste definitie, die ik vervolgens ga testen. Ik verzamel zoveel mogelijk voorbeelden: voor het Engels zijn er enorme lexicografische corpora, waar met één druk op de knop honderden voorbeelden uit rollen. Daarnaast vergelijk ik mijn eigen intuïties met die van anderen. Dat leidt tot stevige discussies. Soms zijn er uren van discussie nodig voordat we overeenstemming bereiken over wat een woord nu werkelijk betekent.''

Wierzbicka's definities worden alom bewonderd. Ze zijn trefzeker en verrassend. Maar niet iedereen is ervan overtuigd dat ze ook, op de een of andere manier, overeenkomen met iets dat in ons hoofd zit, zoals Wierzbicka zelf denkt. ``Een definitie werkt alleen als zij een afspiegeling is van datgene wat in ons hoofd zit'', zegt ze. ``Zo eenvoudig is het.''

Haar aanname dat de betekenis van woorden alleen met taal beschreven kan worden, wordt ook niet door iedereen gedeeld. Er zijn semantici die denken dat visuele voorstellingen ook een rol zouden kunnen spelen. Zo niet Anna Wierzbicka. `Groen' definieert ze bijvoorbeeld als volgt: X is green = in some places many things grow out of the ground / when one sees things like X one can think of this.

Groen wordt door haar dus gedefinieerd als de kleur van vegetatie. ``Blinden gebruiken ook woorden als groen en rood'', zegt ze. ``Ze hebben er geen moeite mee om dat soort woorden te gebruiken, dus blijkbaar zijn het geen visuele concepten. Blinden begrijpen ook wat een bloem is, en wat het verschil is tussen een tulp en een roos. Ze kunnen het niet visualiseren, maar ze het begrijpen het concept.''

In haar definitie van `groen' komen overigens twee woorden voor, die niet op haar lijstje van primitieven staan: `grow' en `ground'. Wierzbicka: ``Als je woorden als 'groen' of `tulp' louter en alleen in primitieven zou definiëren, zou de definitie ongelofelijk lang en gecompliceerd worden. Het is beter en ook geloofwaardiger om het in stapjes te doen. Dus: wat is een tulp? Een tulp is een soort bloem. In de definitie van tulp komt dus ergens het woord bloem voor. Vervolgens laat je zien dat je `bloem' wèl helemaal met primitieven kunt definiëren. Het gaat dus in stapjes. Ik denk dat het op die manier ook in ons hoofd zit. Een groot deel van de fysieke wereld – dieren, planten, gebruiksvoorwerpen – zit zo gecompliceerd in elkaar dat je het in stapjes moet definiëren. Maar er zijn ook woorden die je wel direct in primitieven kunt definiëren, zonder dat de definitie daarmee heel omslachtig wordt. Zoals: vuur, hemel, zon. Dat is overigens intrigerend: want waarom kan het bij die woorden wel? Ook emoties kunnen direct in primitieven gedefinieerd worden.''

Wierzbicka is vooral bekend geworden met haar definities van woorden die emoties uitdrukken. Haar definitie van het Engelse woord sad luidt aldus: X feels sad = X feels something / sometimes a person thinks something like this: / something bad happened / if I didn't know that it happened I would say: I don't want it to happen / I don't say this now / because I know: I can't do anything / because of this, this person feels something bad / X feels something like this.

Wierzbicka: ``Wat alle talen met elkaar gemeen hebben is dat je kunt zeggen: I feel good of I feel bad. Dat zijn louter primitieven: I, feel, good, bad. De manier waarop die gevoelens worden uitgesplitst – in woede, teleurstelling, angst, verdriet, noem maar op – is in iedere taal anders. Er is bijvoorbeeld een Engels woord dat je als volgt kunt definiëren: I think this person did something bad / I don't want this person to do things like this / I want to do something because of this. Welk woord is dat? Anger, inderdaad, woede. Zoals je ziet bestaat de definitie van anger uit drie componenten. Hebben alle talen een woord voor die combinatie van drie componenten? Nee. Maar er zijn wel heel veel woorden in allerlei talen die beantwoorden aan in ieder geval twee van die componenten. Maar niet per se aan de derde.''

Wierzbicka verhuisde in 1972 naar Australië, waar ze nog altijd woont en werkt. ``Ik kreeg opeens collega's en studenten die gespecialiseerd waren in Aziatische en Australische talen. Tot die tijd had ik vooral gewerkt met Europese talen. Nu kon ik mijn theorie gaan uittesten op talen die heel anders in elkaar steken. Dat heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat een paar woorden, die ik op mijn lijstje van primitieven had staan, bij nader inzien afvielen. Namelijk: world en imagine. Er blijken in Australië een heleboel talen te zijn, die daar geen woorden voor hebben. Dus moest ik ze van mijn lijstje schrappen en vervolgens een heleboel definities herzien. En wat bleek? Zonder die twee begrippen werden mijn definities beter en helderder.''

In Australië werd Wierzbicka geleidelijk aan tweetalig en `bi-cultureel', zoals ze het zelf noemt. Ze is getrouwd met een Engels-sprekende man en haar dochters spreken zowel Pools als Engels. ``Juist doordat mijn gezin bi-cultureel is, ging het me steeds meer intrigeren hoezeer talen en culturen van elkaar verschillen. Er zijn belangrijke Engelse concepten die je niet in het Pools kunt vertalen, en vice versa. Bijvoorbeeld reasonable, een heel belangrijk woord in de Angelsaksische cultuur. Zo belangrijk dat een huwelijk daarop kan stuklopen: `He was unreasonable, he made unreasonable demands, I couldn't live with him.' Onmogelijk om dat in het Pools te zeggen. In het Pools kun je dat nooit als reden geven voor het mislukken van je huwelijk.''

In een van haar boeken, Understanding cultures through their key words, beschrijft Wierzbicka hoe begrippen als vrijheid, vriendschap en geluk in iedere taal een andere invulling hebben gekregen. In haar definities van de Latijnse, Engelse, Poolse en Russische woorden voor vrijheid komen sommige zinnetjes overeen, en andere niet. De definities van freedom en de Russische (schijnbare) vertaling daarvan, svoboda, beginnen identiek: someone (X) can think something like this: / if I want to do something I can do it. Maar daarna zijn er vooral verschillen. De definitie van freedom eindigt bijvoorbeeld met: this is good for X / it is bad if someone cannot think this. Met deze twee zinnetjes wordt aangegeven dat freedom een abstract en moreel beladen begrip is. De definitie van svoboda eindigt heel anders, met de zin: X feels something good because of this. Want svoboda staat niet zozeer voor een abstracte waarde, maar meer voor een prettig gevoel.

Wierzbicka heeft veel kritiek op de vanzelfsprekendheid waarmee psychologen en antropologen vermeende universele concepten met Engelse woorden benoemen. ``Bepaalde Angelsaksische concepten worden dan opeens verheven tot universele concepten. Er zijn bijvoorbeeld psychologen die zeggen dat er universele menselijke emoties zijn, zoals sadness. Maar sommige talen, zoals het Tahitisch, hebben helemaal geen woord voor sadness. Dan zeggen die psychologen: ja, maar we hebben het niet over woorden, we hebben het over emoties. Oké, maar waarom zou je er dan dat specifieke Engelse woord voor gebruiken? Mijn collega Cliff Goddard zegt altijd: wat hebben we toch een mazzel, als sprekers van het Engels, dat het Engels nou net de enige taal is die voor al die universele concepten een woord heeft.''

Volgens Wierzbicka zijn alleen de primitieven zelf universeel. Ze denkt dat de primitieven in ons bewustzijn zitten ingebouwd. ``Ik denk dat we ermee geboren worden. Dat kan ik niet bewijzen, maar waar zouden ze anders vandaan moeten komen? Je vindt ze terug in álle talen. Bovendien: er moet een verzameling concepten zijn die álle mensen met elkaar delen, want mensen zijn in staat om andere talen en culturen te begrijpen. Het kost moeite, maar het kán. Dus er moet een soort brug zijn, een conceptueel systeem dat die communicatie mogelijk maakt.''

Minigrammatica

Critici hebben Wierzbicka er vaak op gewezen dat haar definities niet alleen maar uit primitieven bestaan, maar ook uit een soort rudimentaire grammatica. Wordt het niet tijd dat ze ook die grammatica aan strenge regels onderwerpt? ``Daar zijn we mee bezig'', zegt ze. ``We denken dat je in iedere taal, naast een minilexicon van 60 à 70 primitieven, ook een soort minigrammatica hebt. Die minigrammatica is eigenlijk niets meer dan de manier waarop je de primitieven met elkaar kunt combineren. Het gaat immers om universele combinatiemogelijkheden. In iedere taal kun je de primitieven say, something en someone op dezelfde manier met elkaar combineren tot: say something to someone.''

Ze maakt een vergelijking met de scheikunde: ``Zoals moleculen zijn opgebouwd uit atomen, zo zijn woorden conceptuele configuraties, die zijn opgebouwd uit primitieven. En zoals men in de scheikunde ontdekt heeft dat er groepen van elementen waren die zich op dezelfde manier gedroegen, zo zijn er ook groepen van primitieven die zich op dezelfde manier gedragen, die dezelfde combinatorische eigenschappen hebben. Bijvoorbeeld: know, think, want. Of: good, bad. Je kunt dat enigszins vergelijken met het periodiek systeem in de scheikunde. De primitieven zijn niet zomaar een hoopje woorden. Ze vormen een verzameling met een rijke interne structuur. En die interne structuur, dat is in wezen de universele grammatica van taal.''