Lekker gewerkt pa? Ik ook!

Arbeidsvreugde blijkt ook erfelijk bepaald te zijn, leest Ellen de Bruin in onderzoek.

Plezier in je werk? Kan erfelijk zijn. Net als intelligentie, alcoholisme en depressie blijkt ook de mate waarin mensen tevreden zijn met hun baan een genetische component te hebben. Dat werd ruim tien jaar geleden voor het eerst vastgesteld door onderzoekers uit Minnesota en het effect is sindsdien diverse malen opnieuw aangetoond. Ook de geneigdheid om van baan te wisselen blijkt voor een deel erfelijk bepaald.

Dat klinkt in eerste instantie grappig. Werk is natuurlijk bij uitstek een `omgevingsfactor', iets wat niet in je DNA zit. Toch ontdekken gedragsgenetici, wetenschappers die onderzoeken welke aspecten van ons karakter en gedrag erfelijk zijn en welke door de omgeving worden bepaald, juist voor zoiets als plezier in het werk een erfelijke component. Ook sommige van hun collega's vonden het in eerste instantie een absurde gedachte. Dat zeiden ze natuurlijk niet direct, wetenschappers schrijven dan altijd liever artikelen waarin ze zeggen dat er iets in de methode niet deugt.

Hoe hadden de onderzoekers uit Minnesota de erfelijke component gemeten? Daar is een standaardmanier voor. Gedragsgenetici vergelijken eeneiige tweelingen die samen zijn opgegroeid (en dus hetzelfde DNA hebben én dezelfde opvoeding hebben gehad) met eeneiige tweelingen die apart zijn opgegroeid (die hebben wel hetzelfde DNA, maar zijn om wat voor reden ook in een verschillende omgeving opgegroeid). Ook vergelijken ze eeneiige tweelingen die samen zijn opgegroeid (hetzelfde DNA, dezelfde opvoeding) met twee-eiige tweelingen die samen zijn opgegroeid (verschillend DNA, dezelfde opvoeding). Met dit soort onderzoek kunnen de wetenschappers uitrekenen hoeveel procent van een bepaalde eigenschap van mensen genetisch is bepaald. Bij plezier in het werk bleek ongeveer tien procent van de verschillen tussen mensen terug te voeren op genetische factoren. Inmiddels is wel duidelijk dat dat echt zo is.

Dat betekent dus nog altijd dat negentig procent door de omgeving bepaald is, maar die tien erfelijke procenten intrigeren natuurlijk meer. Die worden vooral bepaald, dachten psychologen, door erfelijke karaktereigenschappen. Emotionele stabiliteit is bijvoorbeeld voor een deel erfelijk, en naarmate iemand emotioneel stabieler is, heeft hij of zij ook meer plezier in het werk.

Psychologen van de Universiteit van Florida hebben nu onderzocht hoeveel procent van de erfelijke arbeidsvreugde samenhangt met de meest onderzochte, deels erfelijke karaktereigenschappen – emotionele stabiliteit, extraversie, openheid voor nieuwe ervaringen, gemak in de omgang met anderen, plichtsgetrouwheid en de geneigdheid om je goed en opgewekt of juist naar, boos en verdrietig te voelen (Journal of Applied Psychology, augustus). Daarmee hebben ze in totaal inderdaad bijna zeventig procent van de erfelijke verschillen in arbeidsvreugde (van die tien procent dus) te pakken. Vooral die laatste twee eigenschappen, de geneigdheid van mensen om positieve of juist negatieve emoties te voelen, droegen een hoop bij. Logisch: als je van nature geneigd bent je goed dan wel slecht te voelen, voel je je ook gemakkelijker goed of slecht in een baan. Toch waren de onderzoekers een beetje teleurgesteld. Ze willen nu weten hoe het met die andere dertig procent zit.