`Kenniseconomie is méér dan bèta'

Kennis komt de welvaart ten goede, maar is evenzeer van belang voor welzijn en cultuur, vindt de Leidse rector magnificus Douwe Breimer. `Versterking van de bèta-sector moet niet ten koste gaan van de rest.'

`HOE MAKEN WE HET hoger onderwijs aantrekkelijker voor jonge mensen? Hoe zorgen we ervoor dat het Nederlandse fundamentele onderzoek sterk blijft? En hoe bereiken we dat kennis beter wordt benut? Die drie zaken zou ik graag in het Innovatieplatform aan de orde gesteld zien. En daarbij is het goed te beseffen dat kennis niet alleen belangrijk is voor welvaart, maar ook voor welzijn en cultuur.'

Op 5 september is onder voorzitterschap van minister-president Balkenende het Innovatieplatform van start gegaan. Tot de achttien leden, onder wie drie bewindslieden, behoort ook Douwe Breimer, farmacoloog en sinds 2001 rector magnificus van de Universiteit Leiden. ``Het platform wil langetermijnvisies ontwikkelen, maar ook op de korte termijn maatregelen treffen'', zegt Breimer in zijn werkkamer in de voormalige universiteitsbibliotheek aan het Rapenburg. ``Zo is op de eerste bijeenkomst aan de orde geweest hoe we obstakels uit de weg kunnen ruimen die de komst van buitenlandse studenten en kenniswerkers naar Nederland in de weg staan. Verblijfsvergunningen, leges, visa, dat dient gestroomlijnd te worden.''

Volgens Breimer is het bèta-probleem lang niet het hele verhaal. ``Wat in die sector wringt is vooral de magere instroom, het gebrek aan belangstelling bij vwo-scholieren. Maar het onderzoek is goed, dat blijkt uit citaties. Dat moet vooral zo blijven, en om dat onderzoek verder te profileren is extra geld nodig. Maar dat moet niet ten koste gaan van andere sectoren. Een universiteit moet op een breed front sterk willen zijn, het is veel te eng gedacht om de kenniseconomie alleen maar te associëren met bèta en techniek. Uit oogpunt van cultuur, maar ook economisch gezien, is een sterke letterenfaculteit evenzeer noodzakelijk. Kenniseconomie gaat ook over duurzaamheid en de stabiliteit van samenlevingen. Dan hebben we het over talen en culturen. Ik maak me net zoveel zorgen over het gebrek aan studenten Duits als aan studenten scheikunde. Je moet een goede buur en je grootste handelspartner willen begrijpen. Bij Chinees is het niet anders. Op dat gebied zul je hoogwaardige expertise in huis moeten hebben, op het vlak van taal en literatuur én op het vlak van cultuur en samenleving. Dat is van economisch belang.''

Leiden heeft veel unica op het gebied van de niet-westerse talen. Hoe zorg je dat het niveau op peil blijft?

Breimer: ``Door het maken van een Europese slag. Chinees is ook sterk in Leuven, in Heidelberg. Via een Europees netwerk kun je een meer inspirerende opleiding aanbieden – en mensen laten reizen. Bibliotheken zouden ieder hun eigen specialisatie erop na kunnen houden. Vorig jaar hebben we vanuit Leiden de League of European Research Universities opgericht, Genève en München horen daarbij, maar ook Oxford en Cambridge. Die league is ook bedoeld om met zijn twaalven opleidingen op hoog niveau overeind te houden waar ieder afzonderlijk mee worstelt. De unica zijn daarvan een goed voorbeeld. Zoals we met de TU Delft een nauwe band onderhouden op bètagebied, doen we dat voor andere sectoren op Europees niveau.''

Alom klinkt de roep om studenten strenger te bejegenen. Wat zijn de Leidse ervaringen met het bindend studieadvies?

``Toen we dat zes jaar geleden instelden waren we onze tijd vooruit. Er komt een moment dat je in ieders belang tegen een student moet zeggen: deze weg is waarschijnlijk vruchteloos. Dat moment moet je niet te laat kiezen, een jaar is redelijk. De eis is dat je dan de helft van de studiepunten in de propedeuse binnen hebt, zo veel is dat nu ook weer niet. Het helpt, er wordt harder gewerkt, het aantal studenten dat hun propedeuse in één keer haalt is gestegen van 30 naar 40 procent.

``In het begin had dat bindend studieadvies een negatieve klank, De Telegraaf sprak van een `oprotadvies'. Die beeldvorming heeft zeker potentiële studenten afgeschrikt, qua aanmeldingen kwam Leiden in de verliescijfers terecht, met een minimum van 2600 in 1998, en door de koppeling tussen bekostiging en studentenaantallen gaf dat een financiële dip. Er zijn toen wat mensen nerveus geworden. Maar zodra de effecten van het bindend studieadvies zichtbaar werden tekende zich een opgaande lijn af en inmiddels is Leiden relatief de sterkste groeier, dit jaar trekken wij ruim 4000 studenten. Wat weer verontrust is waar die studenten terechtkomen: veel rechten en psychologie, liever zagen we ze breder verdeeld. Daarom kijken we of we binnen het kader van het bindend studieadvies aanvullende eisen kunnen stellen. Ook zijn we niet tegen een selectie aan de poort zoals die bij Amerikaanse universiteiten plaatsvindt. Dat zeggen we al jaren, maar kennelijk is de politiek er nog steeds niet aan toe.''

Moeten de studies uitdagender?

``Ja. Een student is er om te studeren en om actief aan het studentenleven mee te doen, die twee samen maken je meerwaarde uit. Dat studenten er massaal bijbaantjes op nahouden geeft aan dat de studies uitdagender kunnen. Feedback van onze afgestudeerden bevestigt dat. Een flink percentage geeft te kennen dat ze als student onvoldoende zijn uitgedaagd.

``Tegelijk vinden we dat we talent aan ons moeten binden. Liefst in een zo vroeg mogelijk stadium. Eind deze maand gaan we het Pre-University College oprichten. Met de zestien beste middelbare scholen in de wijde omgeving van Leiden hebben we de afspraak gemaakt dat we hun drie à vier beste leerlingen, die zo getalenteerd zijn dat ze zich met de normale stof stierlijk vervelen, al in 5 en 6 vwo naar de universiteit halen. Dan bieden wij ze, bijna à la carte, een uitdagend programma aan en lopen die scholieren als het ware alvast vooruit op hun ambitie. Op dat plan is door de schooldirecties heel positief gereageerd.''

Al die aandacht voor talent, vergeten we niet dat de meerderheid aan beste brave studenten gewoon een fatsoenlijke opleiding wil?

``Het gaat om het klimaat dat je schept, dat moet uitdagen. We denken er over na onze onderzoekeropleidingen in te richten als graduate schools. Niet alleen op papier, ook fysiek, met ontmoetingsplaatsen daar waar ze nog niet bestaan. Ik hoop van harte dat het de betere student is die zich tot zo'n klimaat voelt aangetrokken. En ook buitenlandse studenten: pas dan maak je je internationale ambities waar. Talent zuigt talent aan. We moeten af van dat regionale. Ik kom uit Friesland en in mijn periode als rector zou ik graag het aantal Friezen in Leiden verdubbeld zien. Ik bespeur een tendens dat Nederlandse universiteiten het niet langer in alles met elkaar eens willen zijn en het zou goed zijn als de politiek ons de ruimte biedt onze eigen koers te bepalen. Er moet bewuster worden gekozen, het doet er wél toe in welke stad je studeert. Leiden wil primair een onderzoeksuniversiteit zijn, daar hoort goed onderwijs bij maar dan moet je niet verwachten dat je in je onderwijsscores ook de top haalt. Die consequentie moet je dan aanvaarden.''

Is er wel genoeg doorstroming om talent een kans te geven? Zitten niet veel matige wetenschappers vastgeroest op hun plek?

``De laatse tien jaar is binnen deze universiteit drastisch gereorganiseerd. Het aantal mensen dat op grond van niet-presteren hun baan is kwijtgeraakt loopt eerder in de honderdtallen dan in de tientallen. Bij Wiskunde en Natuurwetenschappen is inmiddels gekozen voor het Amerikaanse systeem van assistant, associate en full professor. Je stelt iemand aan van wie je veel verwacht en biedt een perspectief van zes jaar. In die tijd kan die persoon zich bewijzen, een onderzoeksprogramma van de grond tillen, en al naar gelang de prestaties is het dan up or out. Is het up dan kunnen die mensen op grond van hun merites, wetenschappelijk prestige en onderwijsprestaties – en niet uitgaaande van het formatiebeginsel – hoogleraar worden. Niet alle faculteiten zijn zover, maar dat is wel de weg die we willen inslaan.

Staat samenwerking met het bedrijfsleven haaks op kwaliteit?

``Als je de sturing maar bij de universiteiten laat, kun je het bedrijfsleven best een stukje in je onderzoek laten participeren. In mijn eigen instituut, het Leids-Amsterdamse Center for Drugs Research, heb ik daar goede ervaringen mee opgedaan. Een Japans bedrijf investeerde 5 miljoen euro en binnen vier jaar leverde die strategische samenwerking tien octrooien op. Heel inspirerend voor jonge mensen, die kregen de kans fundamenteel onderzoek te doen waar de investeerder ook belangstelling voor had. Van het wegebben van de fundamentele missie hoeft geen sprake te zijn, als je de zaak maar goed organiseert.