`Iedereen is biseksueel'

De klassieke tweedeling in de biologie tussen `mannelijk' en `vrouwelijk' is achterhaald. Het seksleven van exotische diersoorten laat volgens David Crews zien dat seksueel gedrag veel meer variatie kent dan doorgaans wordt aangenomen.

`GESLACHT IS niet gelijk aan seksueel gedrag', zegt David Crews, hoogleraar zoölogie en psychologie aan de University of Texas, Austin. ``De geslachtsorganen zijn het kenmerk van man- of vrouwzijn, maar de hersenen zijn het orgaan van het gedrag. Seksueel gedrag huist daar en niet in de geslachtsorganen. Dat leidt tot een andere kijk op man en vrouw. De verschillen in gedrag van individuen van gelijke sekse verschillen onderling doorgaans sterker dan het gemiddelde van de tegenovergestelde seksen. Man en vrouw vertonen een overlappende variatie in gedragselementen. Vaak is het alleen de frequentie die varieert.''

Crews sprak begin deze maand op het Niko Tinbergen-symposium in Leiden. Beroemd is zijn onderzoek aan een uniseksuele hagedis, de whiptail lizard (Cnemidophorus uniparus). Crews: ``Deze dieren zijn allemaal van het vrouwelijke geslacht, maar hun hersenen zijn volledig biseksueel. Twee vrouwtjes voeren een pseudoseksuele paring uit en kunnen zich daarna ongeslachtelijk voortplanten. Elk individu is geneigd om zich complementair te gedragen. Eerst gedraagt de een zich als vrouwtje en de andere als man, en vervolgens draaien ze de rollen om.'' Crews liet zien dat het mannelijke gedrag van het ene vrouwtje bij de ander leidde tot hormonale veranderingen die cruciaal zijn voor de ontwikkeling van de eierstokken.

Al ruim twintig jaar doet Crews onderzoek naar de geslachtsdifferentiatie bij reptielen en amfibieën. Anders dan bij zoogdieren en de meeste vissen is bij deze dieren de ontwikkeling van een embryo tot man of vrouw afhankelijk van de omgeving. Ze hebben geen geslachtschromosomen. In plaats daarven bepaalt de omgevingstemperatuur tijdens de embryonale ontwikkeling in welke verhouding er mannetjes of vrouwtjes ontstaan.

Bij roodwangschildpadden bijvoorbeeld geeft een lage incubatietemperatuur van de eieren voornamelijk mannetjes; een hoge temperatuur geeft meer vrouwtjes. Bij andere amfibieën en reptielen ligt dat verband precies andersom en bij de luipaardgekko ontstaan bij zowel lage als hoge temperaturen vooral vrouwtjes en ontstaan mannetjes alleen bij een tussenliggende temperatuur van rond de 32,5 °C.

Crews ontdekte dat de incubatietemperatuur van de eieren een sterke invloed heeft op het seksuele gedrag op volwassen leeftijd. Luipaardgekko-vrouwtjes die ontstaan zijn bij een hoge temperatuur zijn bijvoorbeeld veel agressiever dan lage temperatuur-vrouwtjes, en blijken ook relatief minder aantrekkelijk voor mannetjes. In hun hersenen bestaan duidelijke verschillen die zijn te herleiden tot de incubatietemperatuur van de eieren waaruit zij zijn ontstaan.

Bij mensen en andere zoogdieren lijkt de geslachtsdifferentiatie meer recht-toe-recht-aan. Als een embryo een Y-chromosoom bezit, ontwikkelt het zich tot man. Maar volgens Crews is dat slechts de oppervlakkige buitenkant, en wordt het hoog tijd te gaan kijken naar individuele verschillen in seksueel gedrag.

``Als je geen onderscheid maakt tussen sekse en seksueel gedrag, kun je niet begrijpen hoe ingewikkeld seksueel gedrag in elkaar zit'', zegt Crews. ``We neigen ertoe om in categorieën te denken mannen en vrouwen en dan onderscheiden we mannelijk gedrag en vrouwelijk gedrag. Maar dat klopt niet. Er zijn verschillende onderdelen aan seks waar we snel aan denken: geslachtschromosomen, voorplantingsorganen, secundaire geslachtskenmerken of seksespecifiek gedrag. Ze houden allemaal verband met de sekse, maar het is allesbehalve een lineair verband. Het is maar net hoe die factoren op elkaar inwerken.''

Hoe kwam u tot het besef dat seksualiteit niet zo zwartwit is als wij het ons altijd voorstelden?

Crews: `Ik begon mijn carrière als sociaal-psycholoog en deed als maatschappelijk werk in achterbuurten. Iedereen die met mensen op straat heeft gewerkt, en heeft meegemaakt wat er gebeurt in agressieve situaties en culturele omstandigheden die aanleiding geven tot deze situaties, weet dat er helemaal niets simpel aan gedrag is. Ik ben me dus altijd al bewust geweest van de complexiteit daarvan. Black and white can't explain the greyness of behaviour, zeg ik altijd. Later in mijn promotie-opleiding leerde ik veel over embryologie en ethologie, fysiologische psychologie, en de combinatie daarvan gaf mij die invalshoek die ik tot nu toe trouw ben gebleven.

``Wij hebben als mens een vooringenomen perspectief en daardoor ontwerpen we vaak experimenten die onze ideeën bevestigen. Als je in de natuur kijkt, dan zie je dieren die eigenlijk niet zouden mogen bestaan in ons vooropgezette wereldbeeld. Maar ze zijn er toch. Dat is de reden dat ik ongewone, onconventionele dieren begon te bestuderen. Ik heb onderzoek gepubliceerd over fruitvliegjes, vissen, kikkers, hagedissen, slangen en zoogdieren.

Kunt u niet beter het het menselijk seksueel gedrag bestuderen dan u te richten op al die exotische soorten?

``Ik wil me niet beperken tot één bepaald organisme, ik ben veel meer probleem-georiënteerd. Ik kies mijn studie-object dat kan bijdragen tot de oplossing van een bepaald probleem. De natuur verschaft een immense diversiteit, die veel van de lineaire concepten van seks die wij erop nahouden aanvechten. In medische handboeken staat nog dat de geslachtsorganen de ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken sturen die op hun beurt leiden tot gedragsverschillen tussen man en vrouw. Dat is uitermate simplistisch voorgesteld en gaat voorbij aan de variatie die je ziet binnen de geslachten.

``Het kijken naar de complexiteit van seksualiteit in de dierenwereld helpt ons om de complexiteit van seksualiteit in de mens te doorgronden. Het biedt ons ook de mogelijkheid om de mechanismen te bestuderen die de variatie veroorzaken die wij om ons heen zien.''

Is seksebepaling door temperatuur de primitieve vorm van seksebepaling?

``Ja, daar is heel goed bewijs voor. Wetenschappers hebben kunnen aantonen dat temperatuurgeslachtsbepaling de voorloper was van chromosoombepaald geslacht. Vogels en zoogdieren, die beide seksebepalende chromosomen hebben, ontstonden uit reptielachtige voorouders die tegenwoordig een temperatuurbepaalde geslachtsdifferentiatie hebben. Er zijn een aantal factoren in de zoogdiervoortplanting die mij ertoe verleid hebben om in een wetenschappelijk artikel te schrijven dat er in zoogdieren nog steeds een temperatuurgevoelig systeem bestaat. Dat oersyteem wordt gemaskeerd door de homeothermie, maar het is aanwezig.''

Dus u zegt eigenlijk dat zoogdieren, inclusief de mens, ook nog zo'n temperatuur gedetermineerd systeem bezitten?

``Daar zijn inderdaad aanwijzingen voor. Er zijn bijvoorbeeld grote onderzoeken geweest die suggereren dat de sekseratio in de mens verandert afhankelijk van het moment waarop de bevruchting plaatsvindt gemeten in de tijdsduur vanaf de eisprong. En de eisprong gaat gepaard met een verandering van de basale lichaamstemperatuur. In woestijnratten is gevonden dat het nageslacht afkomstig van de twee eierstokken verschillende sekseratio's heeft. Beide eierstokken verschillen in de mate van doorbloeding en meer bloedtoevoer betekent ook een hogere temperatuur. Steroïdhormoonreceptoren blijken erg gevoelig voor temperatuur.

``Er zijn een hoop van deze kleine stukjes informatie, maar niemand heeft ooit serieus gekeken naar de invloed van temperatuur op het geslacht in homeothermen als een potentiële bepalende factor. Ik denk overigens niet dat temperatuur in zoogdieren nog enige biologische functie heeft. Maar als één van de eigenschappen van het seksebepalende systeem, denk ik dat het ons inzicht verschaft hoe seksedeterminatie werkt.''

Wat betekent die variatie in seksueel gedrag voor mensen? Is bijvoorbeeld homoseksualiteit op te vatten als een variatie waarbij men de rol van de andere sekse overneemt?

``Homoseksualiteit is een menselijk construct. Het is geen biologisch fenomeen. Waar je paringen hebt tussen individuen van hetzelfde geslacht, en dat fenomeen heb ik uitvoerig bestudeerd, zijn er vastomschreven functies voor die gedragingen. Je ziet dominantie en onderdanigheid, synchronisatie van voortplantingscycli onder vrouwtjes, maar er zit geen culturele component aan. Om die reden is het heel verschillend van de menselijke homoseksualiteit. Ik denk dus ook niet dat het bestuderen van gelijkgeslacht paringen in de dierenwereld iets zal bijdragen aan het begrip van menselijke homoseksualiteit.''

Uw recente onderzoek richt zich vooral op de genen die de geslachtsdifferentiatie sturen. Wat blijkt daaruit?

``Er is niet één gen dat het geslacht bepaalt maar er zijn er tientallen genen bij betrokken, die in een cascade gerelateerd zijn. Ook in dieren met een genetisch bepaald geslacht liggen veel seksgerelateerde genen op de autosomen. Daaruit volgt dat ieder individu de genen bezit die nodig zijn om het tegenovergestelde geslacht te vormen. We zijn dus fundamenteel biseksueel in de genetische constitutie om twee geslachten te vormen.''