Een leven verloren in handen van Polisario

Tientallen jaren zitten sommige Marokkaanse gevangenen van het Saharaanse front Polisario al vast. De laatste tijd is een aantal vrijgelaten, verbitterd over hun verloren leven.

Vrij, maar niet bevrijd. ,,Ik heb het gevoel dat ik nog steeds in een gevangenis zit'', zegt Hamid Ellabane (47). Zijn mondhoeken trekken in verbittering. In 1979 werd hij als soldaat eerste klasse van het Marokkaanse leger krijgsgevangen gemaakt in de rauwe woestijnoorlog tegen het onafhankelijkheidsfront Polisario in de Westelijke Sahara. Drieëntwintig jaar lang zat hij vast in Tindouf, het vluchtelingenkamp op Algerijnse bodem van Polisario. Dit voorjaar kwam hij vrij als onderdeel van een vergeten drama.

Ellabane mist zijn wijsvinger en deel van zijn duim. Die raakte hij kwijt toen zijn handen achter zijn rug werden afgebonden met elektriciteitssnoer. Hij tilt zijn hemd op en laat een panorama van vleeswonden zien die werden veroorzaakt toen hij achter een Toyota-jeep gebonden door het kamp werd gesleept. Een straf omdat hij niet zijn mond hield tijdens een bezoek van Italiaanse journalisten in 1981 en klaagde over het gedwongen werk en de slechte behandeling van de gevangenen.

Polisario, de beweging die sinds 1975 met Marokko een slepende claim uitvecht over de toekomst van de voormalige Spaanse Sahara, heeft een begin gemaakt met het uitleveren van zijn Marokkaanse gevangenen, voorzover bekend de langst vastzittende krijgsgevangenen ter wereld. In groepen van enkele honderden komen ze vrij na 10, 15 of zelfs meer dan 20 jaar te hebben doorgebracht in de woestijn. Meer dan 900 zitten nog vast in afwachting van hun vrijlating. Die is sterk afhankelijk van het uiterst moeizame verloop van de jarenlange onderhandelingen over de status van en een referendum over de Westelijke Sahara die worden geleid door de Amerikaanse VN-onderhandelaar James Baker.

Vier ex-gevangenen – vroeg oude, getekende mannen – doen verslag van hun gevangenschap. Van buiten klinkt het vrolijke straatlawaai van de badplaats Kenitra, maar bij Mustafa Kabous, Mohammed Bouriga, Hassan Bouqob en Hamid Ellebane strijden woede en verslagenheid om voorrang. Woede om de manier waarop Polisario de gevangenen jarenlang slavenarbeid liet verrichten. Het maken van stenen, metselen van muren van vroeg in de ochtend tot zonsondergang. Dat alles op een dieet van wat rijst en linzen, net genoeg om in leven te blijven. Over de lijfstraffen, martelingen en verkrachtingen en de eenzame opsluiting in cellen waar precies een stoel in paste. Over de incidentele standrechtelijke executies die ze moesten bijwonen.

De namen van de ergste beulen onder de kampbewaarders worden uit de herinnering opgediept. Sommige van hen zouden nota bene later overlopen naar het Marokkaanse kamp en nu met een mooie baan vrij rondlopen in Marokko. Ook Mohammed Abdelaziz, sinds jaar en dag de opperste leider van Polisario, wordt ervan beschuldigd hoogstpersoonlijk deel te hebben genomen aan executies. Er zijn 450 klachten verzameld en bij Amnesty International gedeponeerd. Zelfs de Spaanse onderzoeksrechter Baltasar Garzón, bekend om zijn internationale aanklachten, is aangeschreven om de daders te vervolgen. De onafhankelijke Nationale Vereniging van familieleden van martelaren en verdwenen soldaten kaartte de misstanden aan bij Europese parlementariërs.

Polisario, dat voor een belangrijk deel wordt gesteund door hulp van Europese non-gouvernementele organisaties, heeft de beschuldigingen van misdaden tegen zijn krijgsgevangenen altijd heftig ontkend. Maar de getuigenissen zijn dermate talrijk dat zelfs trouwe bondgenoten als France Libertés, voorgezeten door Danielle Mitterrand, hun steun terugtrokken en Polisario aanklaagden wegens systematische schending van de mensenrechten.

Na hun beste jaren te hebben gesleten onder erbarmelijke omstandigheden wachtte de gevangenen thuis een koele ontvangst. De 243 gevangenen die begin deze maand naar Agadir werden overgevlogen zitten daar nog steeds. De tweede dag van hun vrijlating brak er een opstand onder de aanwezige familieleden van de soldaten uit omdat ze geen toestemming kregen hun geliefden te verwelkomen. Die hadden inmiddels van overheidswege een soort joggingpak en sandalen verstrekt gekregen en zaten nu achter een bord witte bonen. Ellabane en Bouriga hebben nog steeds geen werk of uitkering. Hassan Bouqob en Mustafa Kabous hebben meer geluk met een pensioentje van respectievelijk 1.000 en 1.244 dirham (100 en 124 euro). Afgezien van de familie bekommerde niemand zich om hun lot.

De mannen hebben nog steeds moeite met hun vrijheid. Ze hebben last van depressies, slapeloosheid en nachtmerries. Familie en vrienden zijn ouder geworden of inmiddels dood. Bouriga: ,,Er zijn veel dingen veranderd, maar ons leven kan je niet meer veranderen.'' Ellebane: ,,We voelen ons als gehandicapten. Waarom heb ik mijn leven geofferd voor mijn land, terwijl onze beulen gewoon op straat rond kunnen lopen?''