`Echt democratische kunst'

Nederlands best verkopende, meest gelezen en meest uitgeleende auteur vierde dinsdag zijn tachtigste verjaardag. Ik heb het natuurlijk over A.C. Baantjer, de schepper van de goedmoedige Amsterdamse rechercheur De Cock met CeeOoCeeKaa, hoofdpersoon in inmiddels zestig gezellige misdaadromans over de toffe gestampte pot van penoze en prinsemarij. Al sinds 1963 verschijnen elk jaar twee afleveringen van de avonturen van De Cock. Geen geringe prestatie van de schrijver, temeer omdat zijn trouwe lezersschare er wel pap van lust. Tijdens een feestelijke bijeenkomst met onder anderen hoofdcommissaris Jelle Kuiper kreeg `Appie' Baantjer een onderscheiding van de stad Amsterdam, een aardige geste.

Wat de tachtigjarige níét kreeg was de P.C. Hooftprijs voor literatuur en ik vermoed dat Baantjer daar ook niet op zit te wachten. Toch is de gedachte aan een literaire onderscheiding minder vergezocht dan het lijkt: in de halve wereldpers woedt op het ogenblik een heftig debat over de beslissing van de Amerikaanse National Book Foundation om een prijs toe te kennen aan thrillerkoning Stephen King, die nog veel meer boeken heeft verkocht dan Baantjer: 300 miljoen exemplaren in 33 talen. Onder andere The Shining, Pet Cemetary, Misery en Carrie zijn verfilmd en je kunt dus wel stellen dat zijn werk wereldberoemd is. (Ook de boeken van Appie Baantjer verschijnen in vele talen, alleen is de naam van zijn held De Cock in het puriteinse Amerika niet bruikbaar).

Zijn verkoopcijfers een literaire maatstaf? De onderscheiding van Stephen King riep reacties op die varieerden van ongeloof tot woede. King schrijft spannende horror, daar niet van, maar hoort hij als schrijver in het gezelschap van Philip Roth, Susan Sontag, John Updike, Arthur Miller, die eerder hetzelfde eerbetoon hebben gekregen?

De rapen waren gaar. In The New York Times brieste Harold Bloom, hoogleraar in de literatuur aan de universiteit van Yale, dat de thrillers van King gespeend zijn van iedere, zelfs maar de geringste, literaire betekenis en geen enkele esthetische prestatie inhouden. Het bestuur van de National Book Foundation bestempelde hij als een ,,stelletje idioten''.

Eerst dacht ik: wat een drukte om niets. Het is namelijk helemaal niet waar dat Stephen King de National Book Award heeft gewonnen, zoals Nederlandse kranten abusievelijk berichtten op gezag van Reuters en ANP. Wat hem werd verleend is de `Medal for Distinguished contribution to American letters', een onderscheiding van de uitgeverswereld voor mensen die de Amerikaanse literatuur op wat voor manier dan ook promoten. Dat kunnen schrijvers zijn, maar ook Oprah Winfrey was al eens winnaar van de gouden medaille, omdat zij in haar televisieshow reclame voor boeken maakt.

Vervolgens bleek er toch wel degelijk reden te zijn voor de opwinding van Harold Bloom en andere serieuze critici. Het ,,stelletje idioten'' – geen literaire jury, maar vertegenwoordigers van mediaconcerns en uitgeverijen – liet weten dat het maar eens afgelopen moest zijn met elitaire literatuuropvattingen. De National Book Foundantion wilde een symbolische, ideologische daad stellen. In een verklaring heette het: ,,Wij moeten onze voorstelling van wat literatuur is verbreden. Wij moeten onbevangen zijn, zonder ons af te vragen wat er wel of niet bijhoort.''

Misschien zou je dat een postmodernistische opvatting kunnen noemen. In ieder geval past het in de trend van trivialisering, de kijkcijfercultuur en het oprukkende populisme. In De Groene Amsterdammer van deze week betoogt critica Gawie Keyser dat de woede over wat in haar veronderstelling ,,een prestigieuze oeuvreprijs'' voor Stephen King is, eens te meer bewijst ,,dat de weerstand tegen echt democratische kunst diep ligt''.

Wat zou dat zijn: echt democratische kunst? Iets wat door `de elite' wordt veracht, meent Keyser: ,,Er bestaat nog wel degelijk een culturele elite – in Amerika, maar ook in Nederland – die zich verzet tegen de ideologische machtspositie die populaire fictie in toenemende mate verovert.'' In de Duitse pers van hetzelfde laken een pak. Weg met de elitaire canon, weg ook met de Nobelprijs voor literatuur. Zo vroeg een commentator in de Frankfurter Rundschau zich dramatisch af waar, bitte schön, critici en vakjury's die literaire prijzen toekennen het recht vandaan halen zich een oordeel aan te matigen. ,,Bestaat er soms ergens een catalogus van bindende criteria op grond waarvan zulke jury's goede of slechte literatuur kunnen onderscheiden?''

Dergelijke criteria bestaan natuurlijk niet. Geen elite die dat kan bepalen. Het oordeel van de kritiek is per definitie subjectief. Ik zou geen objectieve maatstaf weten. Wat ik wel weet, is dat literatuur, zoals alle kunst, bij machte is mensen te verontrusten, te verbazen, in verwarring te brengen, nieuwe gezichtspunten te bieden. Niemand kan uitleggen wat kunst is, maar het is wel uit te leggen waarom het vakwerk van Stephen King niet literair genoemd kan worden. Hij schrijft volgens een vaste formule. De lezer wordt op zijn wenken bediend, hoeft geen inspanning te leveren, is verzekerd van `herkenning'. King is meesterlijk in het bedenken van spannende plots. Maar hij voldoet precies aan de verwachting van de lezer. Hij schrijft horror die niemand echt angst aanjaagt. Lekker griezelen.

Pretentieloosheid en toegankelijkheid zijn de `bindende criteria' voor de formuleschrijvers van de populaire fictie. Daar is niets tegen, het heeft ook niets te maken met `hoge' versus `lage' cultuur of met de fusie daartussen, het is ook geen slechte literatuur, het is géén literatuur, het is entertainment.

Er zijn genoeg voorbeelden van thrillers die tot de literatuur gerekend worden. Wie zou willen betwisten dat, om maar iemand te noemen, John le Carré een groot schrijver is? Edgar Allen Poe behoort tot de canon van de wereldliteratuur. Brett Easton Ellis schrijft horror. In talloze literaire werken is suspense een essentieel ingrediënt. `Echt democratische kunst' veronderstelt echter voorspelbaarheid van de toegediende emoties en bovenal: `begrijpelijkheid'.

Democratie in de kunst impliceert dat bij meerderheid, of ten minste op grond van de verkoopcijfers, een beslissing kan worden genomen over artistieke waarde. Maar zodra de meerderheid uitmaakt wat kunst is, houdt de kunst stomweg op te bestaan.

Is Appie Baantjer de grootste, want bestverkopende, schrijver van Nederland? Ik dacht het niet. Hij verdient wel een oeuvreprijs van het genootschap van misdaadauteurs, zoals Tomas Ross heeft voorgesteld. Niet de P.C. Hooftprijs, maar de Hoofdcommissaris Kuiper-penning.