Denken doe je met z'n tweeën

De eind vorige maand overleden Donald Davidson was een van de grote filosofen van de 20ste eeuw. Ten onrechte werd hij als postmodern beschouwd. Hij had een klassiek waarheidsidee maar zette zich af tegen de traditie om slechts het denken van één persoon te beschouwen.

IN KORTE TIJD is de Amerikaanse filosofie een groot aantal kopstukken kwijtgeraakt. Nadat enige tijd geleden Quine en Rawls overleden, is nu ook Donald Davidson gestorven. Hij overleed 30 augustus op 86-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hartstilstand die optrad na een knieoperatie.

In de twintigste eeuw heeft de filosofie een linguistic turn doorgemaakt. Die houdt in dat de oplossing van filosofische problemen wordt gezocht in een analyse van taal. Davidson was een van de belangrijkste vertegenwoordigers van die twintigste-eeuwse taalfilosofie, samen met Wittgenstein en Quine die Davidsons leermeester en levenslange vriend was.

Ruim tweehonderd jaar geleden heeft Kant beweerd dat de belangrijkste filosofische vragen zijn: wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen? Deze drie vragen komen allemaal samen in de allerbelangrijkste vraag: wat is de mens? Op die vraag heeft Davidson een taalfilosofisch antwoord gegeven in een lange reeks artikelen die pas na zijn vijftigste op gang kwam.

Dat antwoord rust op drie pijlers, waarvan de belangrijkste natuurlijk Davidsons taalfilosofie is. Van oudsher definieerden filosofen `de mens' als een met rede begaafd wezen. Het beste bewijs voor de juistheid van deze definitie is dat de mens een taal spreekt. Daarin laat een mens zien dat hij of zij inderdaad met rede begaafd is en kan denken.

Wat denken precies is probeerden filosofen vanaf de zeventiende eeuw te begrijpen door te kijken naar wat zich in het hoofd afspeelt van één individu, een `ik' dat denkt. Volgens Davidson is dat een vergissing. Praten en denken zijn alleen mogelijk als er een tweede persoon is met wie je over een gemeenschappelijke werkelijkheid kunt spreken. Zonder gesprekspartner bestaat taal noch denken. Omdat hij dit standpunt als eerste verkondigd heeft, wordt hij door Richard Rorty als een van de belangrijkste postmoderne filosofen beschouwd.

Davidson was niet erg gelukkig met deze kwalificatie, want hij beschouwde zichzelf als realist `pur sang': hij geloofde zonder voorbehoud in de waarheid en in het bestaan van een objectieve werkelijkheid. Trouw aan zijn taalfilosofie formuleerde hij die overtuiging als volgt: uitspraken zijn waar omdat de werkelijkheid die uitspraken waarmaakt; of mensen dat al dan niet weten doet er voor de waarheid van een uitspraak niet toe.

Il pleut

Waarheid is volgens Davidson zo'n fundamenteel begrip voor ons denken dat we het niet verder kunnen analyseren. Hij meent dan ook dat de betekenis van zinnen, uiteraard het kernbegrip van de taalfilosofie, herleid moet worden tot waarheid. De betekenis van een zin bestaat uit zijn waarheidsvoorwaarden. Iemand die de betekenis kent van de zin `Il pleut', weet dat die zin alleen waar is, wanneer het regent.

Ook in de omgang met onze gesprekspartners speelt waarheid een sleutelrol. We kunnen elkaar alleen begrijpen, aldus Davidson, als we ervan uitgaan dat de ander de waarheid spreekt. Dit uitgangspunt werd door hem het beginsel van welwillendheid (`charity') genoemd, wat nu een uitdrukking is die behoort tot het basisvocabulaire van de filosofie.

Die status is voor een belangrijk deel te danken aan het feit dat het als wapen dient in Davidsons aanval op het relativisme van filosofen als Kuhn en Feyerabend. Deze wetenschapsfilosofen beweerden dat de moderne westerse mens de taal van andere culturen nooit goed zal kunnen begrijpen, omdat hij in een volledig ander paradigma staat. Davidson vond dit onzinnig, omdat het volgens hem onmogelijk is niet te communiceren. Iemands woorden en gebaren kunnen altijd geïnterpreteerd worden.

Aan interpretatie heeft Davidson in zijn latere werk veel aandacht besteed. Iemand begrijpen (en dus interpreteren) houdt in dat je gedachten aan hem toekent. De beste toegang tot de gedachtenwereld van een ander is door wat die zegt. Zo komen we via Davidsons taalfilosofie tot de tweede pijler van zijn theorie: zijn filosofie van de geest. Als we iemands uitspraken op een bepaalde manier begrijpen, weten we meteen wat hij denkt. Taal en denken komen hand in hand.

Denken doen we in taal, volgens Davidson. Tegelijkertijd is hij er ook van overtuigd dat onze geest uiteindelijk niets anders is dan een verzameling hersenprocessen. Dit lijkt met elkaar in tegenspraak. Immers, denken is rationeel en vrij. Je kunt denken wat je wil. Maar hersenprocessen verlopen volgens de wetten van de natuur: een zenuwcel is niet vrij en niet rationeel. Dit is het klassieke lichaam-geest probleem.

In zijn beroemdste artikel `Mentale gebeurtenissen' (1970) heeft Davidson zijn oplossing daarvoor gegeven. Iedere gedachte in de geest is een gebeurtenis in de hersenen, maar welke precies, kunnen we niet met zekerheid zeggen. We kunnen dus niet een causale natuurwet opstellen die een noodzakelijk verband legt tussen bijvoorbeeld de gedachte aan grootmoeder en een specifieke gebeurtenis in de hersenen. Er is geen grootmoedercel in de hersenen. Maar het is wel zo dat we sommige van die hersenprocessen kunnen beschrijven als gedachten. Het verschil tussen lichaam en geest berust dus volgens Davidson op onze taal.

Derde pijler

Ook handelingen, net als hersenprocessen, kunnen we op meer manieren beschrijven. Dit vormt de kern van de derde pijler: Davidsons filosofie van het handelen. Als iemand op de bus stapt, wat doet hij dan eigenlijk? Is hij onderweg naar zijn tante? Vlucht hij van zijn werk? Laat hij iemand voorgaan? Tilt hij zijn been op? Dezelfde lichamelijke handeling laat zich op tal van manieren beschrijven, terwijl de man die op de bus stapt toch maar één ding tegelijkertijd doet. In `Handelingen, redenen en oorzaken' (1963), het artikel dat Davidsons internationale doorbraak inluidde, betoogt hij dat de man die op de bus stapt dat doet met een bepaalde onmiddellijke bedoeling die zijn handeling rechtvaardigt. Deze reden is dan ook tegelijkertijd de oorzaak van die handeling.

Zo heeft Davidson binnen de grenzen van de taalfilosofie een mensbeeld gegeven dat in reikwijdte en diepgang niets onderdoet voor de klassieke antropologieën, zoals die in de vorige eeuw vooral in Duitsland en Frankrijk ontwikkeld werden. Het is daarom niet verwonderlijk dat Davidson juist in die landen veel aanhangers kent, die talloze congressen over zijn werk hebben georganiseerd. Hij bezocht ze, onvermoeibaar, allemaal.

Davidson was een buitengewoon energiek man die tot op hoge leeftijd bergen beklom en aan zweefvliegen deed. Toen hij in 1994 het Kröller-Müller Museum bezocht, wilde hij niet alleen de beeldentuin, maar ook alle beelden in het beeldenbos zien. Ondanks zijn veelzijdige belangstelling sprak hij over niets liever dan filosofie. Zo begon hij leunend over de reling van de veerboot tussen Vlissingen en Breskens zonder aanleiding driftig te praten over de betekenis van zinnen in de indirecte rede. Die passie is geconcentreerd in de essays die gebundeld zijn in `Actions and Events' (1980) en `Inquiries into Truth and Interpretation' (1984), die de filosofie blijvend hebben veranderd.