De morele verlamming van links

Kritiek op het Westen en met name op de Verenigde Staten is gemakkelijk, maar selectief. Ian Buruma geeft aan wat er schort aan het huidige anti-Amerikanisme.

Neem Gore Vidal, Amerika's beroemdste essayist, die in linkse kringen, vooral in Europa, doorgaat voor de meest progressieve criticus van de Amerikaanse politiek. Op de vraag hoe Irakezen konden worden bevrijd van Saddam Hussein zonder Amerikaanse inmenging, antwoordde hij onlangs: ,,Dat is hun probleem. Niet uw probleem, en ook niet mijn probleem. Er zijn veel slechte regimes in de wereld, waaronder dat van Bush.'' En over Noord-Korea: ,,Och, de mensen daar zullen wel doorgaan te sterven van de honger. Dat vertellen onze media ons tenminste.'' En daarop volgde een tirade over de Amerikaanse media.

Er schort inderdaad nogal wat aan de Amerikaanse media, en ook aan wat Vidal de `Bush-Cheney-junta' noemt. Maar Vidals uitlatingen verraden een merkwaardig gebrek aan proportie, alsof Bush en Saddam min of meer even erg zouden zijn, en alsof alle gruwelverhalen over Noord-Korea louter zouden berusten op Amerikaanse propaganda. En ook als dat niet zo was, het is niet ons probleem, dus waar maken wij ons druk over? Dit is enigszins symptomatisch voor veel opinies die doorgaan voor links of progressief. Kritiek op het Westen, met name de Verenigde Staten, is gemakkelijk, maar als het gaat over niet-westerse dictators staan te veel mensen die beter zouden moeten weten, met een mond vol tanden. Waarom? Ik denk omdat een virulente vorm van anti-Amerikanisme bij sommigen alles overheerst en daarom kan leiden tot een soort morele verlamming als het aankomt op moorddadige regimes buiten het Westen.

Het anti-Amerikanisme – en daarmee bedoel ik niet kritiek op het beleid van de Verenigde Staten, maar een diepe, gevoelsmatige afkeer – heeft een rijke geschiedenis, waarin rechts een groter aandeel heeft gehad dan links. In de ogen van vooroorlogse culturele conservatieven van het slag Evelyn Waugh was Amerika vulgair, geldbelust, zonder wortels, onbehouwen en smakeloos – kortom, een gevaar voor de hogere Europese cultuur.

Martin Heidegger had een hoop aan te merken op het `Amerikanisme' als een zielloze, inhalige, valse macht, die een funeste invloed uitoefende op de Europese geest. Voor rechtse extremisten was de combinatie van kapitalisme, democratie en gebrek aan etnische homogeniteit volstrekt onverenigbaar met al wat zij hooghielden: raszuiverheid, militaire discipline en trouw aan het gezag.

Wat nu voor Amerika geldt, gold in het verleden voor Engeland. In de achttiende en negentiende eeuw stelden zowel de reactionairen als de radicale romantici op het Europese vasteland Engeland aan de kaak als een samenleving waar niets telde dan winstbejag. Londen gold als een stad zonder ziel, een stad van bankiers en effectenmakelaars, die in hun niet aflatende jacht naar rijkdom de armen uitbuitten. Men zag het Britse imperialisme, anders dan de Franse mission civilisatrice of de Duitse verbreiding van Kultur, als een commerciële onderneming die streefde naar uitbreiding van haar economische en financiële macht. Het ergst van al was nog, in de ogen van sommigen, Groot-Brittannië's betrekkelijk gemengde bevolking. Zoals de in Groot-Brittannië geboren racist Houston Stewart Chamberlain tegenover zijn beschermheer, keizer Wilhelm II, opmerkte, kon elke `Basuto-nikker' met een volle beurs het Britse staatsburgerschap kopen. Niet helemaal waar misschien, maar wel een sprekend beeld.

De linkse afkeer van het Angelsaksische kapitalisme gaat ten minste terug tot Karl Marx, maar de eigenlijke sprong van de rechtse anglofobie en het anti-Amerikanisme naar de linkse variant kwam pas na de Tweede Wereldoorlog.

Daar was de sovjetpropaganda ongetwijfeld in belangrijke mate debet aan, en dan vooral de traditie van antifascisme die de Russen exploiteerden. Het Engels-Amerikaanse kapitalisme werd in de sovjetpropaganda gekoppeld aan het fascisme, en gepresenteerd als de grote vijand van alle verworpen volkeren der aarde. Wie links stond, was vóór de bevrijdingsbewegingen in de Derde Wereld. Niet iedere aanhanger van Mao, Castro of Ho Chi Minh was sovjetgezind, maar anti-Amerikaans was hij of zij in ieder geval.

Toen vele landen uit de kolonisatie werden bevrijd, sloeg het gejubel spoedig om in grootscheeps bloedvergieten. Er werden dictaturen gevestigd, sommige met steun van Moskou, andere van Washington. In China, Afrika en Zuidoost-Azië werden miljoenen door hun `bevrijders' vermoord, uitgehongerd of gezuiverd. Amerika's dictators – Suharto, Pinochet – werden door links aangeklaagd, de sovjetbeschermelingen werden goedgepraat.

Maar eind jaren tachtig waren er in het Westen niet veel linkse mensen meer te vinden die de Sovjet-Unie nog bewonderden of die veel ophadden met gewelddadige revoluties in de Derde Wereld. De herinnering aan Pol Pot, de Vietnamese bootvluchtelingen en de Culturele Revolutie vormden – hopelijk – een stille bron van gêne. In de nasleep van 1989 begonnen zelfs de beloften van het socialisme te verbleken. Maar één ding bleef: het anti-Amerikanisme.

Misschien is het anti-Amerikanisme zelfs feller geworden dan tijdens de Koude Oorlog. Het is een bekend verschijnsel: wanneer de engelen hun beloften niet waarmaken, worden de duivels des te angstaanjagender. In die zin zou het debacle van het socialisme de rancune over de Amerikaanse triomfen hebben versterkt. Maar tegelijkertijd is er nóg iets gebeurd. Links en rechts begonnen op een merkwaardige manier van plaats te wisselen.

De expansie van het wereldwijde kapitalisme, die zeker niet zonder negatieve gevolgen is, heeft de vertegenwoordigers van links gemaakt tot voorvechters van cultureel en politiek nationalisme. Toen het marxisme nog een krachtige ideologie was, streefde links naar universele oplossingen voor het leed van de wereld. Nu is `globalisering' een ander woord geworden voor wat Heidegger `amerikanisme' noemde: een aanslag op de inheemse cultuur en identiteit. En zo is oud links conservatief geworden.

Deze verdediging van de culturele authenticiteit neemt de gedaante aan van anti-imperialisme, en dat is tegenwoordig uiteraard hetzelfde als anti-Amerikanisme. Israël speelt hierin een belangrijke rol, omdat het wordt beschouwd als het werktuig van het Amerikaanse imperialisme in het Midden-Oosten, en als de koloniale vijand van het Palestijnse nationalisme.

Israël en de Verenigde Staten prikkelen de reflexen van de Europese koloniale schuldgevoelens met een intensiteit waar vrijwel niets tegenop kan.

Het beleid van Israël is, net als dat van Verenigde Staten, vaak verkeerd en soms wanstaltig, maar ook als het altijd correct was, zou Israël nog worden gehaat als westerse indringer in Arabisch territorium. Wat dat betreft klinken de antizionisten van tegenwoordig net als de kribbige oude arabisten uit de school van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken, die nooit een boodschap hadden aan het socialisme. Het verschijnsel dat joden nu veilig met nazi's kunnen worden vergeleken, wat ook dikwijls gebeurt, is koren op de molen van de Europese schuldgevoelens over wéér een vreselijke smet op ons collectieve geweten.

De morele verlamming van links ten aanzien van niet-westerse dictators zou ook een meer sinistere oorzaak kunnen hebben. De Israëlische filosoof Avishai Margalit noemt het ,,moreel racisme''. Wanneer Indiërs moslims doden, Afrikanen Afrikanen of Arabieren Arabieren, doen de alwetende westerse commentatoren of zij niets merken, of vinden zij historische verklaringen of geven zij de naweeën van het kolonialisme de schuld. Maar wanneer blanken, of het nu Amerikanen, Europeanen, Zuid-Afrikanen of Israëliërs zijn, gekleurde mensen kwaad doen, breekt de hel los. Wie de westerse berichtgeving over de gebeurtenissen in Palestina vergelijkt met veel verontrustender nieuws over Liberia of Midden-Afrika, ziet een wanverhouding die suggereert dat voor niet-westerse volkeren niet dezelfde morele maatstaven kunnen worden aangelegd als voor ons. Je zou kunnen zeggen dat dat terecht is, omdat wij slechts de verantwoordelijkheid voor onze eigen soort op ons kunnen nemen. Maar dat zou een tamelijk racistische kijk op de toestand in de wereld zijn.

Ook hier lijken links en rechts van rol te hebben gewisseld. Conservatief rechts was van oudsher niet internationalistisch ingesteld, en zeker niet revolutionair. Zaken doen, stabiliteit, nationale belangen en Realpolitik ('Het zijn klootzakken, maar het zijn onze klootzakken') waren de norm. Democratie was in de ogen van de conservatieve realisten prima voor ons, maar niet voor vreemde volken met exotische namen. Links wilde juist de wereld veranderen, waar dan ook. Het linkse internationalisme erkende geen culturele of nationale grenzen. Voor hen was bevrijding een universeel project. Maar nu de `junta van Bush en Cheney' het heeft over een democratische revolutie, ongeacht cultuur, kleur of geloof, stelt Gore Vidal dat dat onze zaak niet is, en roepen anderen `racisme'.

Dit alles is uiteraard voor een belangrijk deel een kwestie van retoriek. Het is best mogelijk dat Paul Wolfowitz, de Amerikaanse onderminister van Defensie, oprecht in democratische revoluties gelooft, maar het is niet gezegd dat zijn meer conservatieve collega's in de regering-Bush zulke radicale doeleinden nastreven. Toch is het interessant om te zien wie de neoconservatieven in Washington allemaal tot hun zaak hebben weten te bekeren, tenminste wat de oorlog tegen Saddam Hussein betreft. Een van de luidruchtigste journalistieke cheerleaders voor de oorlog van Bush was Christopher Hitchens. Aangezien hij, net als enkele van de oudere Amerikaanse neoconservatieven, een trotskistisch verleden heeft, is het nog enigszins consequent dat hij revolutionaire projecten aanprijst. Evengoed is het inzetten van het Amerikaanse leger een rare manier om een democratische revolutie te bevorderen.

Heel veel belangrijker is de steun die Bush heeft gekregen van Václav Havel, Adam Michnik en vooral José Ramos-Horta, de uit Oost-Timor afkomstige winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede. Dat zijn mannen die, in tegenstelling tot de meeste commentatoren in Londen of New York, weten wat het is om onder de knoet te leven. Zij hebben de prijs van een afwijkende mening betaald toen zoiets een kwestie van leven en dood was. Havel en Michnik hebben onder het sovjetimperialisme geleefd, maar Ramos-Horta is een interessanter geval, omdat hij verzet heeft geboden tegen het door de Verenigde Staten gesteunde Indonesische regime van generaal Suharto. Oost-Timor was een geliefd thema van Chomsky en andere linksen.

In een artikel dat werd gepubliceerd kort voordat de oorlog in Irak begon, riep Ramos-Horta het lijden van zijn volk in herinnering. Hij schreef: ,,Er is vrijwel geen gezin in mijn land dat geen dierbare heeft verloren. Vele gezinnen zijn uitgeroeid tijdens de decennialange bezetting door Indonesië en het verzet daartegen. Westerse landen hebben aan die tragedie bijgedragen. Sommige zijn rechtstreeks verantwoordelijk, omdat zij Indonesië hebben geholpen met militaire steun.'' Tot zover zou geen van onze linkse critici met hem van mening verschillen, maar zijn conclusie brengt een scheiding der geesten. Ramos-Horta constateert dat de westerse mogendheden hun schuld hebben ,,ingelost'' door Oost-Timor met wapengeweld van zijn onderdrukkers te bevrijden. Waarom zouden de Irakezen dan niet óók bevrijd mogen worden?

Ramos-Horta respecteert de motieven van de mensen die tegen de oorlog demonstreerden, al vraagt hij zich wel af waarom hij in al die demonstraties nooit ,,één enkel spandoek heeft gezien of één speech heeft gehoord met een oproep om een einde te maken aan de schendingen van de mensenrechten in Irak, de dictator aan de kant te schuiven en de Irakezen en het Koerdische volk vrijheid te schenken''. Hij weet dat ,,meningsverschillen en een publiek debat over kwesties van oorlog en vrede essentieel zijn. Wij hebben thans het recht om te demonstreren en onze mening te uiten – wat onder een schrikbewind 25 jaar lang niet mogelijk is geweest – want Oost-Timor is nu een onafhankelijke democratie. Gelukkig voor ons allemaal betekent het tijdperk van de globalisering dat burgers in bijna alle belangrijke kwesties meer te zeggen hebben. Maar als de antioorlogsbeweging de Verenigde Staten en hun bondgenoten ertoe weet te brengen dat zij afzien van de oorlog tegen Irak, dan zal zij hebben bijgedragen tot de vrede van de doden.''

Men behoeft het met deze woorden niet eens te zijn. Maar ze hebben een moreel gezag dat doorgaans ontbreekt in de polemieken van hen die principieel gekant zijn tegen interventie door de Verenigde Staten. Ramos-Horta heeft een kijk op de zaak naar voren gebracht die een antwoord eist. Behalve natuurlijk voor wie echt denken dat mensen die ergens ver weg leven hun problemen zelf maar moeten oplossen, dat het onze zaak niet is om het voor hen tegen tirannen op te nemen, en dat iedere poging in die richting per definitie ingegeven moet zijn door racistische, kolonialistische of financiële motieven.

Misschien is dat standpunt pragmatischer of zelfs realistischer. Maar wie het aanhangt, zou tenminste zo eerlijk moeten zijn om zich conservatief te noemen, in de zin van Henry Kissinger, en niet langer moeten beweren te spreken namens progressief links.

Ian Buruma is publicist.