De kwetsbare wortels van de productiviteitsgroei

Hoe snel groeit de Amerikaanse economie nu? Slimme beleggers gokken erop dat de meest recente economische gegevens een groei van het bbp met 3 procent te zien zullen geven. Ze gokken er ook op dat die later in het jaar wel eens zou kunnen uitkomen op 5 procent op jaarbasis. In juli ging de Amerikaanse industriële productie met een half procent vooruit. De grote chipfabrikant

Intel rapporteerde een zeer sterke stijging van de vraag naar zijn kernproducten, wat erop duidt dat de zakelijke investeringen eindelijk weer toenemen.

Hoewel Japan blijft stagneren en West-Europa op de rand van een recessie balanceert, moet een stevig herstel van de `productiegroei' in de Verenigde Staten behulpzaam kunnen zijn bij het stimuleren van de vraag in de rest van de wereld. Maar dit goede nieuws over de Amerikaanse conjunctuurcyclus is vergezeld gegaan van slecht nieuws over de werkgelegenheid. De hoeveelheid gewerkte uren in het Amerikaanse bedrijfsleven daalde in het tweede kwartaal met 2,7 procent op jaarbasis. De werkgelegenheid – met name in de industrie – daalde in juli, en het is zeer waarschijnlijk dat de hoeveelheid arbeidsuren zal blijven afnemen.

Wat is de verklaring voor deze discrepantie? Hoe kan Amerika tegelijkertijd geconfronteerd worden met een redelijke groei van de productie en een stijgende werkloosheid? Het antwoord luidt dat de onderliggende trend van de productiviteitsgroei in de Amerikaanse economie buitengewoon positief blijft. Nu de Amerikaanse werknemers meer produceren in minder tijd, is het geen wonder dat er een wig wordt gedreven tussen het (goede) nieuws over de productie en het (slechte) nieuws over de werkgelegenheid.

Op de korte termijn levert een snelle groei van de productiviteit dilemma's op voor het macro-economisch beheer: wat onder andere omstandigheden beschouwd zou worden als een redelijk krachtige stijging van de vraag, blijkt niet voldoende te zijn om de werkloosheid laag te houden. Maar de gevolgen op de korte termijn zijn niet de belangrijkste.

Een snelle productiviteitsgroei is op de langere termijn goed nieuws voor Amerika, want een economie met een hoge productiviteit is beter in het bevorderen van het menselijk welzijn. Op de langere termijn is dit ook goed nieuws voor Amerika's handelspartners: er is meer waarde te verdienen aan de handel met een rijke economie dan aan de handel met een arme.

Het voortduren van de snelle productiviteitsgroei, dwars door de recente recessie en het daaropvolgende, aarzelende herstel heen, is een sterke aanwijzing dat de groeipercentages van het bbp en de productiviteit in de VS permanent omhoog zijn gegaan, of – indien niet permanent – tenminste voor een periode die waarschijnlijk tientallen jaren beloopt.

Amerika is uiteraard niet het enige geïndustrialiseerde land dat zijn productiviteitsgroei heeft zien versnellen sinds de tweede helft van de jaren negentig. Australië, Ierland, en de Scandinavische landen hebben allemaal hun eigen duurzame demarrages van onverwacht snelle groei te zien gegeven. Maar de rest van West-Europa en Japan niet.

West-Europa en Japan hebben krachtige high-tech sectoren, kundige managers en bedrijfsculturen die net zo makkelijk als die van de VS kunnen profiteren van de bloei die in het vooruitzicht wordt gesteld door de snel dalende prijzen van informatietechnologie. Daarom zou je denken dat dezelfde productiviteitsgroei zich ook in deze landen zou moeten voordoen.

Toch is er niets dat daarop wijst. Waarom niet?

De huidige conventionele wijsheid, die het luidst wordt verkondigd door de Amerikaanse econoom Robert Gordon, houdt in dat de versnelling van de Amerikaanse productiviteitsgroei (die tot een nieuwe bloeiperiode kan leiden als de groei van de vraag snel genoeg toeneemt) te danken is aan synergie. Volgens deze inzichten zijn de Verenigde Staten bijzonder goed in staat om te profiteren van de snel dalende prijzen van informatietechnologie, dankzij de openheid van de economie voor allerlei vormen van concurrentie en nieuwe manieren van zakendoen, met name op het terrein van de distributie.

De vergelijking tussen de situatie van eind jaren negentig en het begin van de 21ste eeuw in Amerika en West-Europa dwingt ons ertoe de kwetsbaarheid onder ogen te zien van de onderliggende institutionele mechanismen, die nodig zijn voor het ondersteunen van snelle economische groei. West-Europa en de VS zijn allebei postindustriële democratieën. In beide gevallen is er sprake van markteconomieën en van grote, krachtige socialezekerheidsstelsels.

Uiteraard zijn er ook institutionele verschillen tussen Amerika en West-Europa: op het gebied van de arbeidswetgeving, de restricties op het gebruik van land en de herontwikkeling daarvan, het gedogen door de mededingingsautoriteiten van prijsafspraken en soortgelijke praktijken. Maar zijn deze verschillen echt zo groot dat ze de macro-economische prestaties zo drastisch beïnvloeden? In de ogen van Robert Gordon – en in de mijne – zijn de wortels van een op high-tech gebaseerde productiviteitsgroei die de hele economie omspant, zoals we die in de VS tegenkomen, zó kwetsbaar dat zij wel kunnen gedijen in Amerikaanse (en Britse) bodem maar niet in Europese.

J. Bradford DeLong is hoogleraar economie aan de Universiteit van Californië in Berkeley en een voormalige onderminister van Financiën van de VS.

© Project Syndicate 2003

Vertaling: Menno Grootveld