Bruikbare rechtsorde

De doorstart van het eerste naar het tweede kabinet-Balkenende heeft minister Donner (Justitie) weinig moeite gekost, zei hij deze zomer tegen het Justitie Magazine. Dat blijkt. In zijn tweede begroting herhaalde hij deze week het motto dat hij al in zijn eerste had gekozen: `een bruikbare rechtsorde'. Woorden luisteren nauw bij een geverseerd jurist als deze bewindspersoon. Donner gebruikt een term met een dubbele bodem. Het begrip rechtsorde bevat zelf al een spanning tussen bruikbaarheid (orde) en de kritische functie die bij uitstek toekomt aan het recht. De term rechtsorde wil tot uitdrukking brengen dat het de primaire opdracht van een rechtstaat is een evenwicht te zoeken. Het extra gebruik van het adjectief `bruikbaar' vormt een tik om de weegschaal uit evenwicht te brengen.

Minister Donner maakt er geen geheim van dat hij de rechtsorde vooral ziet als een ,,instrument''. Dat is vreemd van deze ideoloog van de `waarden en normen'. Normen en waarden zijn van een andere orde dan een werktuig. Het extra accent op bruikbaarheid steekt ook schraal af tegen de invulling die voorgangers van de minister hebben gegeven aan het begrip rechtstaat. Zij spraken van ,,het normatieve kader'' van de rechtstaat (Hirsch Ballin) of de ,,rechtstatelijke zorgvuldigheid'' (Sorgdrager), legden het accent op het ,,levende'' karakter van de rechtstaat (Korthals) of propageerden een ,,volwassen rechtstaat'' (Korthals Altes).

De praktische benadering van Donner heeft al een aanpak van `veelplegers' opgeleverd die de strafrechtsgeleerde Buruma in het Juristenblad de vrees deed uitspreken voor ,,Amerikaanse toestanden'': kansloze lieden die verknipt in de maatschappij terugkeren zonder enige begeleiding nadat de opleidingsmogelijkheden in de gevangenis ook al waren beperkt als gevolg van overbevolking. Zorgwekkend is helemaal dat Donner in naam van zijn bruikbare rechtsorde een oud beginsel ter discussie wil stellen: beter tien schuldigen vrij dan één onschuldige veroordeeld. Volgens het lid van de Hoge Raad Corstens in zijn handboek strafprocesrecht is het zelfs ,,beter honderd schuldigen niet te veroordelen''. Deze uitlating prent de strafrechtspleging het grote gebod van `voorzichtigheid' in. Dat dit geen loze kreet is, blijkt uit het breed gedragen gevoel van ontzetting wanneer iemand tóch ten onrechte achter de tralies blijkt te zijn beland, zoals onlangs in een Deventer moordzaak.

De minister zegt dat heroverweging van het oude beginsel vooral wordt ingegeven door de strijd tegen het moderne terrorisme. Dat alibi is onvoldoende, zo heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens al jaren geleden uitgemaakt. Het Europees verdrag voor de mensenrechten ontzegt vijanden van de vrijheid een beroep op de vrijheden die zij proberen aan te tasten. Maar dat geldt niet voor de manier waarop zij na arrestatie moeten worden behandeld. Zelfs de grootste terrorist heeft recht op het eerlijke proces dat hij zijn slachtoffers ontzegt. De suggestie van Donner vergroot bovendien het toch al niet denkbeeldige gevaar van besmetting van het reguliere (straf)recht door uitzonderingswetten. Zie Engeland, waar volgens The Economist antiterreurwetgeving is ingezet om gewone demonstranten van het type `peacenik' van de straat te halen. De Nederlandse minister van Justitie dreigt een verkeerde weg in te slaan.