Bij Chirac is de vermoeidheid toegeslagen

Hoewel hij met meer dan 80 procent van de stemmen werd herkozen en ondanks een grote meerderheid in het parlement lijkt bij president Chirac de vermoeidheid al ingetreden.

Deze maand begon het Franse dagblad Le Monde met de publicatie van een serie opiniestukken onder de titel `Comment va la France?', `Hoe gaat het met Frankrijk?'. Omineuze vraag, die Daniel Cohen, schrijver van de eerste bijdrage, maar meteen beantwoordde met een lofzang. Frankrijk heeft een uitstekende concurrentiepositie. De buitenlandse investeringen bedroegen in 2001 zestig miljard euro, bijna twee keer zoveel als in Duitsland. Anders dan Duitsland, Groot-Brittannië en de VS heeft Frankrijk trouwens in industrieel opzicht nog altijd hetzelfde marktaandeel als dertig jaar geleden.

Het verval van Frankrijk is zo vaak aangekondigd, vond Cohen.

Aanleiding voor de serie in Le Monde vormt het boekje La France qui tombe (Vallend Frankrijk), van de als briljant bekendstaande historicus en econoom Nicolas Baverez. Deze houdt zijn land de spiegel voor van `een verspilde kwart eeuw'. Hij doelt daarmee op de presidentschappen van de socialist François Mitterrand (1981-1995) en van de rechtse, huidige president Jacques Chirac (1995 tot in principe 2007). Beiden delen volgens Baverez een talent: om verkiezingen te winnen en Frankrijk te laten verliezen. Geen van beiden is het immers gelukt om het land te hervormen.

Gaullist Baverez citeert met instemming oud-president en vader des vaderlands Charles de Gaulle: ,,Revoluties zijn de enige gelegenheid waarbij een land als Frankrijk hervormingen doorvoert.''

Chirac had die stelling kunnen logenstraffen, zo betoogt Baverez. Hij is herkozen met een ongekende 82 procent van de uitgebrachte stemmen, zijn rechtse meerderheid bezet in de Assemblée 399 van de 577 zetels, heeft de Senaat zelfs bijna geheel in handen en is in het land zeer comfortabel vertegenwoordigd. Ondanks die aan de dictatuur grenzende steun blijken de ook in rechtse ogen onvermijdelijke hervormingen niet voor elkaar te boksen: wat zit er dan nog anders op dan revolutie?

Het is boutade met een kern van waarheid. De liberale oud-minister van Financiën Alain Madelin zegt op iets andere manier bijna hetzelfde. Hervormingen hadden volgens hem op een strategisch moment moeten worden doorgevoerd: ,,in de wittebroodsweken dus, direct na de verkiezingen''. Dat moment is voorbij.

Inderdaad. Anderhalf jaar geleden is het nu dat Jacques Chirac zo overweldigend werd herkozen en hij eindelijk, na vijf jaar bittere `samenleving' met de linkse premier Lionel Jospin, zijn `eigen' regering onder aanvoering van ene Jean-Pierre Raffarin kon aanstellen. Die keuze, voor een onbekend bestuurder uit de provincie, was opmerkelijk en als blijk van Parijse ootmoed jegens de rest van land politiek uitgekookt. De voortvarendheid van minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy versterkte de aangename verrassing.

Sarkozy kreeg voor elkaar wat de voorgaande linkse regering niet gelukt was of simpelweg had nagelaten. Hij sloot een mensonterend vluchtelingenkamp in het Normandische Sangatte, richtte een moslimraad op, nam maatregelen ter verhoging van de veiligheid in kansarme wijken en gaf een zaal vol protesterende, orhodoxe moslims manmoedig te verstaan, dat iedereen, dus ook moslimvrouwen, zonder hoofdbedekking dient te poseren voor de pasfoto op identiteitspapieren. Ook was hij `niet bang voor democratie' en organiseerde een referendum over bestuurlijke vernieuwing op het opstandige Corsica.

Tezelfdertijd kon heel het land niet anders dan als één man achter president Chirac gaan staan in de Irak-crisis. Het patriottische sentiment werd gevoed door het onverschrokken Franse verzet tegen de reus Amerika. Links was natuurlijk nog steeds kampioen van het morele gelijk, maar met dit rechts gebeurde er wel wat.

Maar wat menigeen voorspeld had, gebeurde ook. Na de wittebroodsweken en na `Irak' richtte de aandacht zich weer op binnenlandse zaken. Honderdduizenden Fransen gingen vanaf dit voorjaar tot behoud van uiteenlopende rechten de straat op, hoe miniem de voorgestelde hervorming – in pensioenstelsel, onderwijs, de culturele sector – ook was. Het referendum op Corsica werd een fiasco. Wegens `sociale onrust' werd een groot deel van de zomerfestivals afgelast, met alle lokale inkomstenderving vandien. De economische groei nam af, de werkloosheid toe.

En bij de regering en het staatshoofd sloeg de vermoeidheid toe. Dat werd het zichtbaarst in hun vertraagde reactie op de gevolgen van de hittegolf van vorige maand – die in vaak dramatische omstandigheden bijna vijftienduizend doden eiste. Chirac was en bleef op vakantie in Canada en zweeg. Eenmaal terug, bedacht hij pas op het allerlaatste moment dat het misschien goed zou zijn de collectieve begrafenis van een honderdtal niet door familie opgehaalde hitte-doden bij te wonen. Vlak daarvoor had de gebronsde president het gebrek aan solidariteit met de bezweken ouderen gehekeld.

De belofte van aandacht voor juist de gewone man lijken regering en staatshoofd te zijn vergeten. Die van lastenverlichting is deels ingelost, maar, zo stelt iedereen schamper vast, met verhoging van accijnzen en lokale belastingen dubbel en dwars ongedaan gemaakt. Oude reflexen keren terug. Arrogantie, bijvoorbeeld. `Brussel', dat niet akkoord gaat met de Franse schending van het Stabiliteitspact, wordt door premier Raffarin ,,een of ander bureau, in een of ander land'' genoemd. Frankrijk is ,,een land met een roeping, dat niet zomaar met het eerste het beste land vergeleken kan worden''. `Soevereinisten' als de extreem-rechtse leider Jean-Marie Le Pen glimmen van instemming.

Inmiddels zingt Raffarin een toontje lager, op last van president Chirac, hoewel die, zoals iedereen beseft, de inspirator was van de lakonieke houding tegenover Europa. Deze week lanceerde de president zelf samen met de Duitse bondskanselier Gerhard Schröder een actieplan ter bevordering van de Europese economie: heus, het gaat hem niet alleen om Frankrijk.

Men heeft `goede hoop' dat Brussel akkoord gaat met een verlaging van het begrotingstekort in 2005 in plaats van, zoals geëist, in 2004. Eenzelfde soort hoop – volgens velen: wanhoop – wordt gekoesterd in de kwestie-Alstom, de TGV-fabrikant. Zonder Brussel toestemming te vragen had de regering-Raffarin het aan de rand van het faillissement verkerende bedrijf overheidssteun toegezegd. Het gaat om meer dan honderdduizend banen, piept minister van Financiën Francis Mer inmiddels met de pet in de hand voor een getergde Europese Commissie.

Hoe het afloopt, doet er niet meer toe. De schade is al geleden. Fransen houden niet van premiers en presidenten die moeten inbinden tegenover de buitenwereld, maar tegenover de kleine man het been stijf houden. De désamour, de sleet is ingetreden. Kelderende populariteitscijfers getuigen ervan.