Verzet tegen de klippen op

De `Weinreb-affaire' heeft een lange geschiedenis. De joodse econoom F. Weinreb woonde sinds 1916 in Scheveningen en bouwde aan een carrière, die door de oorlog in duigen viel. Zijn leven en dat van zijn gezin kwamen daarna in levensgevaar. Weinreb, die in sommige joodse kringen het charisma had van een geestelijk adviseur, ging joden vervolgens voorhouden dat hij hen met zijn `lijsten' uit de klauwen van de Duitsers kon redden: hij kon hen met een trein naar veilig gebied sluizen. Dat gebeurde tegen betaling en Weinreb wist de Duitsers met zijn lijsten inderdaad een tijd om de tuin te leiden. Maar op een gegeven moment viel hij door de mand, werd gearresteerd en moest min of meer voor hen gaan werken. Hij zou daarna celspionage hebben bedreven en getracht hebben ondergedoken joden uit hun schuilplaatsen te lokken. Begin 1944 dook hij onder met zijn gezin en overleefde de oorlog.

Na de bevrijding werd Weinreb vastgezet en uiteindelijk veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf, waarbij het arrest van de Bijzondere Raad van Cassatie onder meer oordeelde, dat `de rechtsorde niet gedoogt, dat enig mens, in vertrouwen op eigen kunnen en naar eigen morele maatstaf aldus beschikt over leven en lot van anderen'. Presser oordeelde in Ondergang (1965) dat Weinreb als zondebok was gebruikt om het falen van de niet-joden te verbloemen. En Presser was een man met autoriteit. Weinrebs memoires Collaboratie en verzet leidden vanaf 1969 tot verhitte discussie in alle media, er werden debatavonden aan gewijd en er ontstonden pro- en anti-Weinrebkampen. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie kreeg in 1970 opdracht onderzoek te doen naar `de activiteiten van drs. F. Weinreb gedurende de jaren 1940-1945'. Het tumult bedaarde wat, maar niet helemaal.

Nadat het voor Weinreb vernietigende rapport in 1976 was verschenen (zijn lijsten waren bedrog en hij had volgens de onderzoekers nog veel meer doden op zijn geweten) pakte Aad Nuis, met Renate Rubinstein een voorvechter van Weinrebs rehabilitatie, de handschoen op en publiceerde Het monster in de huiskamer, waarin hij een aantal verraadzaken probeerde te weerleggen. De auteurs van het rapport reageerden daar weer op, en daarna werd het stil. Weinreb zelf bleef wel onvervaard publiceren, bijvoorbeeld in 1989 De gevangenis. Herinneringen 1945-1948 en tal van religieus-wijsgerige werken. Zijn kleiner wordende aanhang verdedigde hem nog door dik en dun, maar de algemene interesse leek te zijn verdwenen.

Nieuwe publiciteit kwam toen in 1997 Regina Grüters proefschrift Een fantast schrijft geschiedenis verscheen en net aan het eind van de vorige eeuw verscheen van de hand van de filosoof René Marres Over Willem Frederik Hermans, de geschiedkunde en het fenomeen Friedrich Weinreb (1999), in 2001 gevolgd door een artikel in het derde Bulletin van de Tweede Wereldoorlog, getiteld `De joodse verzetsman Friedrich Weinreb' met nu als, wie weet, eindresultaat Frederik Weinreb, verzetsman én groot schrijver (de auteur gebruikt nu bewust de Nederlandse versie van de voornaam).

Broddelmethodes

Wat levert dit op? Critici die lijvige rapporten over een zaak als die van Weinreb bekritiseren, hebben het moeilijk want ze kunnen uiteraard niet alles behandelen, want dan zouden ze het onderzoek helemaal over moeten doen. Maar je kunt natuurlijk wel één of twee casestudies behandelen en als die niet blijken te deugen, kun je stellen dat de rest ook wel zo zal zijn. Je kunt ook de werkwijze en de manier van onderzoek aanvallen om daarna te concluderen dat er met zulke broddelmethodes natuurlijk niets van terecht kan komen. Een derde manier is om de auteurs van een rapport zo verdacht mogelijk te maken; je hoeft dan verder eigenlijk niets meer te bewijzen. Dat zou ook voor mij kunnen gelden: ik ben als medewerker van het Niod later zijdelings betrokken geraakt bij de Weinreb-zaak (door het ordenen van het archiefmateriaal), hoewel ik met het onderzoek niets van doen heb gehad.

Marres gebruikt de drie bovengenoemde methoden door elkaar heen en dat leidt tot net zulke verwarring als de verschillende titels van zijn geschriften. Afgaande op de titels zou je moeten veronderstellen dat de auteur op volledige rehabilitatie van Weinreb uit is, maar op bladzijde 29 stelt hij: `Ik stel dus niet dat Weinreb onschuldig is.' En even later schrijft hij dat het bewijs tegen Weinreb zwak is en dat hij daarom vrijgesproken diende te worden.

Hij stelt dat het rapport `moeilijk te doorgronden is'. Dat nu lijkt mij onzin. Wat het geheel zo moeilijk maakt, is om te beginnen vooral de schrijfdrift van Weinreb zelf. Zijn driedelige mémoires tellen bijna 2.000 pagina's, maar zijn oorspronkelijke tekst maar liefst 3.147 foliovellen. Daarnaast heeft hij tussen 1945 en 1948 zo'n 27 verdedigingsstukken geproduceerd, die ook al meer dan 1.000 pagina's tellen. En in deze veelheid van geschriften bevinden zich ook nog tal van tegenstrijdigheden. Een kolfje naar de hand van een tekstcriticus als Marres, die zich daar juist in specialiseert, zou je zeggen, en die deze methode – het zoeken van tegenspraken in teksten – op het NIOD-rapport loslaat.

Pedante conclusies

Van de bijna tachtig onderwerpen behandelt Marres er, meestal aan de hand van Nuis, een tiental. Zijn kwalificaties van het onderzoek en de onderzoekers ondermijnen evenwel zijn argumentatie. `Mager bewijsmateriaal' behoort nog tot de onschuldigste, maar verder is sprake van `verbijsterend bevooroordeeld betoog', `extreme vooringenomenheid', `voor een groot deel lasterlijk'. Ook meent hij dat het onderzoeksmateriaal niet deugt: `Ze kunnen de getuigen op ongeoorloofde manier beïnvloed hebben.' De analyse mondt uit in tamelijk pedante conclusies als: `Er is niets overgebleven van de aanklacht tegen Weinreb [inzake celspionage], ik heb ze met precisie in puin geschoten' en `Ik kan dat zeggen want ik heb het gecontroleerd'.

Een groter bezwaar is dat een historische (en niet per se juridische) weging van de zaak-Weinreb niet kan worden gereduceerd tot logische tekstkritiek: context en gevoel voor historische interpretatie ontbreken bij Marres volkomen. Gevolg van zijn uiterst nauwe benadering is dat als het gaat om de lijsten, het ergste bedrog van Weinreb, en om het seksueel misbruik van vrouwen, ook Marres zich weer in rare bochten moet wringen om Weinreb zelf als het slachtoffer neer te zetten.

Een moeilijk punt is ook waarom twee onderzoekers én het RIOD er expres zo'n puinzooi van gemaakt zouden hebben; waarom moest Weinreb voor de tweede keer hangen? Het is onjuist om te stellen dat Weinreb als eerste heeft aangetoond dat politie en ambtenaren meegeholpen hebben aan de jodenvervolging en dat het verzet minder was dan men in de jaren vijftig voorstelde. En omdat het establishment dat niet wil horen, moest Weinreb, `de anarchistische individualist' weer kaltsgestellt worden. Dat complot tegen Weinreb als een staatsgevaarlijke rebel klinkt te mooi om waar te zijn.

René Marres: Frederik Weinreb. Verzetsman en groot schrijver.

Aspekt, 143 blz. €14,98

David Barnouw is werkzaam bij het RIOD in Amsterdam.