Venetië voor gevorderden

John Julius Norwich is zo vertrouwd met Venetië dat hij erover schrijft als over zijn eigen woonplaats. Paradise of Cities is zijn derde boek over de stad. En Venetië is minder veranderd dan de meeste Europese steden, men kan zich ongeveer voorstellen hoe onze voorouders er rondkeken. Als zij 's avonds uit hun raam keken zagen zij hetzelfde Canal Grande als wij, veel van dezelfde palazzi aan de overkant, en de koepels van de kerken in het maanlicht, en zij hoorden de stilte die toen nog auto- en motorbootloos was.

Norwich heeft een omvangrijke geschiedenis van Byzantium geschreven, een deelgeschiedenis van Sicilië, en zijn bekendste werk, de geschiedenis van achthonderd jaar Venetië van de stichting tot 1797 toen de Fransen de republiek ophieven. Zij werd afgestaan aan Oostenrijk, kwam in 1806 terug onder Frans bewind en werd in 1816 weer Oostenrijks, tot 1866 toen zij in het verenigde Italië werd opgenomen. In plaats van agressieve ondernemingslust was het voortaan oude schoonheid en stemming waar zij van moest leven.

De eerste van Norwich' negentiende-eeuwers is Napoleon, die in 1807 tien dagen lang kwam kijken wat hij met deze makkelijke verovering moest beginnen. Hij beende door de stad, voer in een gondel, ontving aanzienlijke Venetianen, kondigde maatregelen aan en vertrok zonder nostalgie. Dat de keizer niets paradijselijks in de stad zag is de grap van het openingshoofdstuk, wanneer de lezer klaarzit om de heerlijkheden bezongen te horen. Die komen in het zicht wanneer er over zo'n twintig latere bezoekers verteld wordt, meestal Engelsen en Amerikanen, van Byron (1816) tot Frederick Rolfe (1908). Niet dat wij steeds in hun schoonheidservaring delen. Het gaat vooral over hun relaties en hun gasten, en bij sommigen over hun werk (de schilders Whistler, Sargent, en de schrijvers Ruskin, Browning, Henry James). Wij leren ze kennen alsof wij ze ontmoet hadden op een vakantieadres, en soms een stuk beter dankzij Norwich' kennis van hun levensloop en inzicht in hun karakter.

Norwich beschrijft een bewonderenswaardig gezelschap van talenten en rijkaards en zonderlingen. Om er nog een paar te noemen van wie niemand ooit gehoord heeft: de prikkelbare Rawdon Brown die archiefwerk kwam doen en vijftig jaar bleef, en de gewichtige Horatio Brown die hem opvolgde en 47 jaar bleef, staan samen in een hoofdstuk met het bezoek van John Addington Symonds, de dichter en historicus, en het verhaal van diens relatie met de mooie gondelier Angelo.

Wat Norich zijn lezers wil bieden zijn figuren in een stadsbeeld. Om dat te bereiken, gebruikt hij een middel dat Napoleon en andere anti-Venetianen onuitstaanbaar zouden vinden: hij heeft het over de paleizen en kerken, de straatjes en grachten alsof wij ons die vanzelfsprekend kunnen voorstellen. Het Palazzo Businello in Dorsoduro, legt hij uit, ligt aan dezelfde kant als het Palazzo Dario, op de hoek van de Rio dei Meloni, naast het Palazzo Papadopoli. Wat kan een summiere kenner van Venetië met zulke aanwijzingen beginnen? Wie er niet overheen wil lezen zal er plezier in krijgen met een plattegrond van Venetië erbij. Daar moet dan niet alleen de voorkant van geraadpleegd worden, ook de achterkant waar het register staat dat onmisbaar is om alle calles, rios en palazzi op te sporen.

John Julius Norwich: Paradise of Cities. Venice and its nineteenth-century visitors. Viking, 283 blz. €32,–