Universitaire rampspoed wel érg uitvergroot

In het septembernummer van het maandblad M stelde de redactie de uitdagende vraag `Wordt Nederland dommer?' Hoewel het artikel ook tegengeluiden bevatte, was de suggestie duidelijk. De cover sprak dan ook van `de intellectuele ondergang van de universiteit' en in de kop van het begeleidende hoofdredactionele commentaar was het vraagteken verdwenen: `Dom Nederland'.

In de aanhef van het artikel werd de vraagstelling ingeperkt tot de Nederlandse universiteit. ,,Anti-intellectualisme, bureaucratie en ongeïnteresseerde studenten, zo hoor je alom. Is de situatie echt zo schrikbarend?'' Om die vraag te beantwoorden sprak de redactie met elf hoogleraren die zowel in Nederland als in andere landen hebben gewerkt. De geïnterviewden vonden unaniem dat iets schortte aan het enthousiasme van Nederlandse studenten.

Sommigen zagen ook wel nadelen aan het competitieve Amerikaanse systeem en af en toe werd wel iets goeds over Nederland gezegd. Het niveau van ons vwo is uitstekend en de talenkennis is beter dan in Amerika. Maar van de negen pagina's interviewtekst was bijna viervijfde negatief voor Nederland of positief voor het buitenland. Hier zou het universitaire klimaat te weinig uitdagend zijn.

Dat is een zorgelijk geluid, zeker omdat mensen van naam aan het woord waren, die hun sporen in de internationale wetenschapsbeoefening hebben verdiend. Als die zo duidelijk zeggen, dat de mentaliteit aan Nederlandse universiteiten niet deugt, mogen overheid en universiteit zich dat aantrekken.

Zonder aan die boodschap iets af te doen, kunnen toch vraagtekens zetten bij zowel de inhoud als de methodiek van het verhaal. Voor een deel is dat ook al gebeurd in vervolgstukken in de krant en op de website. Maar terwille van de discussie is het nuttig een aantal tegenwerpingen nog eens op een rij te zetten.

De Nederlandse universiteiten worden vergeleken met vooral Amerikaanse top-universiteiten. Maar Amerika heeft ook honderden universiteiten van abominabel niveau. De gemiddelde Nederlandse universiteit is beter dan de gemiddelde Amerikaanse universiteit. Ook in Nederland wordt top-onderzoek gedaan, maar dat vindt plaats in gespecialiseerde vakgroepen en instituten binnen en buiten de universiteiten.

De theoretisch fysicus Robbert Dijkgraaf is inderdaad zeer kritisch over de studiezin van Nederlandse studenten en het universitaire beleid. Het volledige verslag van het interview is nog aanzienlijk somberder dan het fragment dat uiteindelijk werd gepubliceerd. Vooral de geringe animo voor bètastudies is desastreus. Toch is het niet allemaal kommer en kwel. Dijkgraafs vakgroep behoort nog tot de tien beste in de wereld en zijn onderzoek wordt – volgens hemzelf – royaal gefinancierd. Maar dat staat niet in het artikel.

De Hettitoloog Theo van den Hout is van Amsterdam, waar zijn vak werd `afgebouwd', naar Chicago gegaan. Daar wordt hij omgeven door enthousiaste collega's en studenten. Prachtig. Maar waarom niet vermeld dat de Oriëntaalse afdeling van de Leidse universiteit, een half uur sporen van Amsterdam, wereldfaam heeft en dat daar zelfs wel eens iemand van een Amerikaanse Ivy League universiteit solliciteert? Leiden heeft een breed spectrum talen en culturen van het oude Nabije Oosten, en ook al is Hettitologie nog onderbezet, Nederland heeft relatief meer Hettitologen dan Frankrijk, Engeland of Amerika.

De Amerikaanse Elaine Dzierzak, die een biologische onderzoeksgroep in Rotterdam leidt, vertelt dat bij haar veel buitenlanders werken en dat zij soms geld krijgt van het Amerikaanse National Institute of Health (NIH). Prima, zou je denken. Ook topuniversiteiten in Amerika moeten het voor een belangrijk deel hebben van buitenlands talent. En subsidies van het NIH laten zien dat Rotterdam wereldniveau heeft. Maar Dzierzak hekelt vooral de bureaucratische financiering van het onderzoek in Nederland. Wat er níet bij staat is dat de Amerikaanse overheid, nog meer dan al het geval was, onderzoek bevordert dat gerelateerd is aan defensie en terrorismebestrijding. Daarbij gelden nu strenge regels voor publicaties en voor visa van buitenlandse medewerkers.

En dan de econoom Arjen van Witteloostuijn. Van hem worden verhoudingsgewijs veel kritische opmerkingen over het buitenland en genuanceerde oordelen over Nederland geciteerd. Interessant is dat hij op zijn 31ste hoogleraar werd en dat hij onlangs na een kort verblijf in Engeland een riante onderzoeksplaats in Groningen kreeg aangeboden. Dat laatste staat wel in het artikel, het eerste niet, terwijl het toch een voorbeeld is dat talent gewaardeerd wordt.

Het zijn maar details in een artikel van elf pagina's, maar ze laten zien dat de – terechte – kritiek van geïnterviewden royaal wordt uitgemeten, terwijl de keerzijde weinig wordt getoond. Dat geldt ook voor de wetenschappelijke prestaties van Nederland. Het is waar – en zorgelijk – dat Nederland relatief minder geld uitgeeft aan research dan vroeger en ook minder dan vergelijkbare landen. Maar zet er dan wel even geprononceerd bij dat Nederland op een aantal indicatoren nog steeds tot de wereldtop behoort. Zo dom zijn we ook weer niet.

Sommige tegenwerpingen staan wel in het artikel. Van Witteloostuijn zegt dat de bezuinigingen in Engeland desastreuze gevolgen hadden. De socioloog Dick Pels vertelt dat op de grotendeels allochtone Brunel University in Londen wel veel enthousiasme bestaat, maar dat studenten er weinig lezen en dat het spellen `rampzalig' is.

Zo worden wel meer relativerende opmerkingen gemaakt. Maar de strekking van het stuk is overwegend negatief voor Nederland. De bijschriften bij de elf foto's benadrukken allemaal de pluspunten van buitenlandse of de minpunten van Nederlandse universiteiten. De verbindende redactionele tekst over Nederlandse studenten die ,,in een verloren half uurtje wel eens een studieboek inkijken'' (althans: ,,dat beeld wordt door de hoogleraren niet krachtig bestreden'') is suggestief. Als men de hardwerkende Amerikaanse student ten voorbeeld stelt, moet er bovendien bij gezegd worden dat het collegejaar in Amerika aanzienlijk korter is.

Hoewel het M-artikel geen expliciete conclusie bevatte, was de ankeiler op de voorpagina scherp: `Universitair klimaat is rampzalig'. Dat is inderdaad de mening van de meeste geïnterviewden en het is goed dat M dat indringend aan de orde heeft gesteld. Maar het verhaal zou aan waarde hebben gewonnen, indien royaler aandacht was besteed aan tegenargumenten.

Piet Hagen, oud-hoofdredacteur van `De Journalist', blikt eens in de veertien dagen kritisch terug op de berichtgeving in NRC Handelsblad. Alle eerdere bijdragen op www.nrc.nl/krantachteraf