Uitvreter met trompet

`Als ik in een zeilboot kon stappen, rond de wereld zeilen, en alle shit zou hebben die ik maar wilde, zou ik tevreden zijn'. Wie voor `shit' heroïne, cocaïne, palfium, jetrium en nog zo wat invult, zit midden in De lange Nacht van Chet Baker. Het citaat tekent haarscherp wie en wat trompettist/zanger Chet Baker was: een `loner' en een romantische dromer, altijd op de vlucht voor het gewone leven. Al nam hij daarvoor in plaats van een zeilboot liever zijn Alfa Romeo om in één ruk van Milaan naar de Amsterdamse Zeedijk te rijden om daar eens even flink te scoren. Of nog beter naar het Belgische Luik waar de apotheekhoudende saxofonist Jacques Pelzer behalve een bed altijd wel `iets' voor hem had klaar staan. In 1988 viel Baker, broodmager en berooid, uit het raam van een Amsterdams hotel. Een eenzame en armoedige dood van een musicus die ooit als `de hoop van de blanke jazz' een glanzende toekomst tegemoet leek te gaan.

In 1952 wordt Baker als `psychisch ongeschikt' uit het Amerikaanse leger ontslagen en ontdekt door Charlie Parker, de beroemdste jazz-junk aller tijden. Kort daarna treedt hij toe tot het kwartet van baritonsaxofonist Gerry Mulligan dat al snel furore maakt, niet in de laatste plaats dank zij Bakers versie van `My Funny Valentine'. De lezers van het muziektijdschrift Downbeat kiezen hem in 1953 en '54 tot hun populairste trompettist en de industrie `herkent' zijn James Dean-achtige appeal dankzij de foto's van Bill Claxton. Een mode-onderneming laat hem stropdassen aanprijzen en de Martin Band Instrument Co. gebruikt hem in een reclamestrip getiteld: `Succesful Careers in Music'. Baker is op dat moment al aan de drugs en dat botst met zijn carrière als hij 1955 met een eigen kwartet door Europa gaat toeren. Van de geplande platen voor een Frans label wordt slechts een deel gerealiseerd en zijn pianist Dick Twardzik overlijdt aan een overdosis. Het is voor Baker het begin van een eindeloze vlucht die slechts twee doelen kent: muziek maken en scoren.

Hij wordt talloze keren gearresteerd, belandt minstens drie keer in de gevangenis en in 1966 worden zijn tanden uit zijn mond geslagen. Voor een normale beroepstrompettist zou dat het eind van de rit zijn, maar Chet Baker blijkt zo taai als een kat en komt telkens weer terug. Waarbij steeds onduidelijker wordt wat hem beweegt. Is stoned zijn een voorwaarde voor het maken van mooie muziek of is de kunst nog slechts een middel om zijn habit te bekostigen?

De Europese kijk op Chet Bakers leven werd al in 1989 beschreven door de Nederlandse journalist/muzikant Jeroen de Valk in zijn bij Van Gennep verschenen Herinneringen aan een lyrisch trompettist dat ook in het Duits en Engels werd vertaald. Met een duidelijke conclusie: `Ik ben van mening dat Chet zijn beste muziek de laatste veertien jaar van zijn leven maakte'. Welk oordeel hij schraagt met een lijst van twintig aanbevolen platen, met liefde gekozen uit een stapel van twee meter.

Bij Gavin, die anders dan De Valk, zijn onderwerp nooit gesproken heeft of in het echt heeft zien spelen, is van liefde voor Bakers muziek niet veel te merken en nog minder voor Chet Baker als persoon. Naarmate je vordert in het boek krijg je steeds meer het gevoel dat Gavin walgt van de man die zijn kinderen verwaarloost, zijn hond ergens uit de auto zet als die te lastig wordt, geleend geld niet terugbetaalt, doktersrecepten steelt en vervalst en ga zo maar door op de weg van kwaad tot erger. Baker is een slappeling, een wegloper, een uitvreter, een wegpiraat, een leugenaar en een politie-verklikker en dat alles met slechts één doel: directe bevrediging van zijn behoeften.

Gavin stoort zich er vooral aan dat Baker er met zijn engelengezicht altijd weer in slaagt om vrouwen aan zich te binden. Met drie ervan trouwt hij zelfs, maar er zijn ook die hem jaren blijven volgen zonder boterbriefje. `Surrogaatmoeders' noemt Gavin ze nadat hij in het begin van het boek heeft vastgesteld dat het bijna kerstkindje Chettie uit het crisisjaar 1929 door zijn moeder grenzeloos verwend is. De vrouwen van Baker doen alles voor hem en laten zich alles door hem aandoen, van ongewenste zwangerschappen tot rake klappen. Ze laten hun bankrekeningen en hun huis plunderen en draaien voor hem de bak in. Ze zijn net zo verslaafd aan hem als Baker aan de snuif, de spuit, de pillen en de pep. Ruth Ann Youngstein, de aangenomen dochter van een rijke Hollywoodbaas, die het zeven jaar met hem uithield, vond haar adoratie niet zo vreemd. `In de jaren dat ik hem kende, ging hij in bed van een zware onvoldoende naar een negen. Hoe zou je nou niet van zo iemand kunnen houden?'

De tekst laat soms te wensen over en dat is voor een deel te wijten aan het feit dat de vertalers kennelijk weinig thuis zijn in de (jazz)muziek. Zo is een `fluegelhorn' gewoon een bugel, leende Charlie Parker vast niet regelmatig trompetten, want hij speelde saxofoon, was Wardell Gray geen `bepop'-saxofonist, had Dizzy Gillespie geen `gierende fluittoon' en worden er te veel `woeste' solo's en akkoorden gesignaleerd. Dat veel jazzpianisten in dit boek zich bedienen van een `spinet' is een raadsel dat van James Gavin zelf afkomstig is.

Toch is deze dikke biografie voor Chet Baker-fans en hen die het willen worden een goede aanleiding om (weer) eens naar hem te gaan luisteren. Echt goed is misschien maar een kwart van zijn platen, maar hij heeft er minstens tweehonderd gemaakt. Een goed begin is `Deep in a Dream' op Pacific Jazz die in Amerika gelijktijdig met het boek werd uitgebracht, of Bakers twee versies van `My Funny Valentine' waarvan de laatste gezongen. Wie daar niet koud of warm van wordt, kan deze biografie rustig overslaan.

James Gavin: De Lange Nacht van Chet Baker. De Bezige Bij, 487 blz, €29,50.

Oorspronkelijk: Deep in a Dream. The Long Night of Chet Baker. Alfred A. Knopff, 448 blz, €34,– (geb.). Vintage, 448 blz. €15,80 (pocket)