Tirol zonder Cees

NEW YORK/HALL IN TIROL

Over ziektes moet je niet te lang doorzeuren. Een paar feiten wil ik volledigheidshalve toch vermelden. Je bent een chroniqueur van het besmettelijke of je bent het niet.

De antibioticakuur waarover ik twee weken geleden berichtte werkte niet of nauwelijks.

In New York besluit ik naar een dermatoloog te gaan. Via een huidkankerspecialist kom ik op een maandagmorgen terecht bij dokter W.

Een vriendelijke man met een droge huid.

Hij schrijft me twee zalven en een soort van waspoeder voor. Bactroban en sodium sulfacetamide voor de kin. Pramosonecrème voor de penis.

Over de penis berichtte ik twee weken geleden niet, want als het om huidziektes gaat moet je doseren, anders lopen de lezers weg.

Twee keer per dag smeer ik mijzelf grondig in en de genezing wordt snel zichtbaar.

Een vriendin van mij arriveert en is zeer depressief, vooral 's avonds.

Ik ben te somber ingesteld om depressief te zijn. Bovendien, als je een paar lekkere huidziektes hebt, waarom zou je dan aan komen kakken met zoiets alledaags als depressie?

Mijn privé-leraar Frans keert terug van vakantie; ik heb het idee dat hij minder trotskistisch is dan voorheen.

In verband met een literair festival vlieg ik via Wenen naar Innsbruck. Vooral de vlucht van Wenen naar Innsbruck in een propellervliegtuigje heeft iets romantisch. De stewardess krijgt wegens de zware turbulentie de slappe lach. Ze zal wel nieuw zijn.

Op het herentoilet van het vliegveld smeer ik mij weer in. Heren kijken naar me, maar daar trek ik me niets van aan. Laat ze maar kijken, zoiets zien ze niet op het journaal.

Een kordate vrouw met kortgeknipt haar haalt mij in Innsbruck af en vervoert mij naar Hall. Ze is dichteres, vroeger was ze taxichauffeuse en al snel zit er schot in de conversatie.

Boven in de bergen heeft het gisteren voor het eerst gesneeuwd.

Ik kijk naar de bergen en zie de sneeuw.

Voor ik het weet zit ik in het Parkhotel in Hall in Tirol, het centrum van het festival Sprachsalz.

Bij een hotel in Tirol stel ik me iets voor met veel hout en een stervende Christus aan de muur.

Het Parkhotel daarentegen is futuristisch. Tevergeefs zoek ik in mijn nachtkastje naar het Nieuwe Testament.

Gelukkig is het uitzicht wel Tirools.

De schrijver Oë is ziek geworden, verder is iedereen er.

Cees Nooteboom niet, en ik mis hem. Tirol zonder Cees is niets gedaan.

Ik telefoneer met de depressieve vriendin in New York die nog altijd depressief is en doe er vijf minuten over om te begrijpen hoe de lichtknoppen in de badkamer werken.

Het futurisme is mooi, maar niet altijd even praktisch.

Zoals wel vaker begint het festival met een receptie.

Tijdens een toespraak worden veel hoogwaardigheidsbekleders bedankt.

Ik herken de schrijver Robert Schindel. Toen ik nog uitgever was had ik bijna een boek van hem uitgegeven.

Wegens de huidziektes en de lange reis houd ik het op mineraalwater.

Zo zit ik een minuut of dertig aan de bar.

Af en toe overvalt mij de gedachte: was Cees maar hier, dan had hij me vast wel aan deze of gene voorgesteld. Maar als gezegd, Cees is er niet, en ik pieker er niet over mezelf voor te stellen.

Dan verschijnt juffrouw Mach.

Juffrouw Mach is van de Tiroler Zeitung en heeft me per e-mail geïnterviewd.

Ze roept in mijn oor: ,,Ik ben Christine Mach, wat leuk u te ontmoeten.''

Ik pak haar hand, en denk: die moet ik vasthouden.

,,Wat heerlijk u te ontmoeten'', zeg ik, en dat is niet eens gelogen.

Er is namelijk een lopend buffet, ik heb de hele dag nog niets gegeten, maar een beetje schrijver gaat niet alleen naar het lopend buffet.

Als ik het handig aanpak kan juffrouw Mach misschien voor me opscheppen. Niet dat ik daar te beroerd voor ben, maar zoiets doe je beter niet zelf.

Juffrouw Mach is geheel in het roze gekleed, heeft een alleraardigste bril op en nog mooiere schoenen. Ik schat haar een jaar of 28, ze heeft zich behoorlijk uitgedost voor de openingsreceptie van het festival.

Ze komt uit Bregenz, en dat is goed voor een gesprek van een kwartier. Het is zaak haar aan de praat te houden, anders sta ik straks alleen bij dat lopende buffet.

Maar het gaat prima, want juffrouw Mach kent hier ook niet veel mensen.

We praten steeds geanimeerder.

,,Juffrouw Mach'', zeg ik, nadat ze me uitvoerig heeft verteld dat ze een groot bewonderaar is van de acteur Bruno Ganz, ,,wat denkt u ervan als ik u vergezel naar het lopend buffet.''

Dat vindt ze een uitstekend plan.

Er zijn allerlei soorten Knödel. Een Tiroolse specialiteit. Kaasknödel, spinazieknödel, bloemkoolknödel.

Ze schept voor me op en met ieder een bord vol Knödel lopen we terug naar de bar.

Een obsceen gezicht, ach, je wordt mild.

De Knödel zijn lekker, en als ik er net eentje op heb vraagt ze: ,,Hoe is het om beroemd te zijn?''

Ik kuch een paar keer. Met bescheidenheid heeft het niets te maken, maar ik weet wat echte roem is, en beroemd ben ik niet.

,,Tsja'', zeg ik tactisch.

,,Tsja'', zegt juffrouw Mach, ,,ik ben de recensente van de Tiroler Zeitung en ik word tegenwoordig ook vaak herkend in boekwinkels in Innsbruck.''

,,Wat vervelend'', zeg ik.

De Knödel zijn zwaar.

Het blijkt misschien niet uit dit stukje, maar ik vind juffrouw Mach aantrekkelijk en charmant. Ze lijkt me behoorlijk getikt, maar ze is in ieder geval niet depressief.

De conversatie moet worden verlengd, anders zit ik weer alleen aan de bar.

Ik zeg: ,,Laten we nog een koffie nemen.''

Jammer dat Cees me niet kan zien, hij zou trots op me zijn. Dit is wat je noemt netwerken.

Koffie wil juffrouw Mach wel, op alcohol en sigaretten heeft ze het niet zo. Maar ze heeft andere slechte kanten.

Ik vraag maar niet welke.

Om elf uur komt haar taxi en ik ga naar bed, al kan ik de slaap niet vatten.

De volgende morgen verken ik met een paraplu van het hotel de kleine stad Hall. De sneeuwgrens is gedaald naar vijftienhonderd meter. Tijdens de lezing laat ik me van mijn charmantste kant zien en incasseer daarna achthonderd euro in contanten.

Niemand denkt dat ik getikt ben, ze durven het in ieder geval niet hardop te zeggen.

Ik luister naar een Duitse auteur die verhaalt over de dagelijkse nederlagen. Lang niet slecht, al kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat hij zijn eigen nederlagen erg vertederend vindt.

Een auteur uit Zagreb die het netwerken niet goed beheerst, komt aan mijn tafel zitten. Hij zegt dat hij wekelijks over ziekte en dood schrijft voor een tijdschrift en al 26 jaar naar hetzelfde dorp op vakantie gaat.

In Innsbruck zullen juffrouw Mach en ik om tien uur 's avonds nog een kopje koffie gaan drinken.

Ze kan het niet laat maken, want om elf uur bellen haar ouders. Het schijnt dringend te zijn.

Deze avond is ze in het rood gekleed.

,,Misschien geven uw ouders u nog zes maanden om een geschikte man te vinden'', zeg ik.

Aan tutoyeren komen we maar niet toe.

Ze giechelt.

Steeds vaker denk ik dat ik kolonel Kurtz ben uit Apocalypse Now.

Net als hij geloof ik dat we verslagen worden door ons eigen oordeel.

,,Mijn huis is een puinhoop'', zegt juffrouw Mach. ,,Afwas van weken.''

Er zijn er die denken dat ik altijd wil neuken, maar dat is wel het laatste wat ik wil. Ik wil beheersen. Anderen, mezelf.

,,Hebt u geen paraplu?'' vraagt juffrouw Mach.

Bij de taxistandplaats geven we elkaar een vriendelijke hand.

De Pramosonecrème wacht op mij.

Geef ons onze dagelijkse nederlagen, kolonel Kurtz. Niemand is voor ons gestorven.

Leer ons om te lijden, nu het nog facultatief is.