Terug naar Flevoland

Nu de overheid besloten heeft het stimuleringsbeleid voor de Nederlandse film stop te zetten, is de filmwereld in alle staten. Maar wat heeft dat beleid eigenlijk opgeleverd?

Er was eens een boek, en dat boek was heel dik, veelgeprezen, veelverkocht en het was geschreven door een Nederlandse schrijver die internationaal werd vergeleken met Homerus. Het verhaal speelde zich af in Amsterdam en Westerbork, op Cuba, in Rome, Jeruzalem en in de hemel.

Zes jaar geleden zou geen Nederlander van dat boek een film hebben durven maken. Een producent had hem zien aankomen! Eerst zou Cuba worden geschrapt (,,Waarom laten we dat reisje niet zien in een fotoboek dat Onno bekijkt?''). Dan Rome en Jeruzalem (,,Misschien kunnen we wat met journaalbeelden doen.'') En ten slotte zou de hemel worden geschilderd in een loods in Flevoland.

Drie jaar geleden is De Ontdekking van de Hemel verfilmd. Door een Nederlandse regisseur. En hij is op Cuba geweest, in Rome, Jeruzalem en in de.... oké, dáár niet, maar hij had hem wel heel mooi nagemaakt.

Het verschil is dat van 1999 tot en met 2003 de overheid 200 miljoen gulden extra heeft uitgetrokken voor de Nederlandse speelfilm. Met geld van dit stimuleringsbeleid zijn tot nog toe zo'n 50 films geproduceerd. Daarmee is de koek wel zo'n beetje op, er volgt nu nog een handjevol films. Deze week heeft het kabinet een evaluatierapport naar de Tweede Kamer gestuurd, met een brief waarin de drie betrokken staatssecretarissen zeggen dat ze na 31 december stoppen met geld geven. De Nederlandse film zal weer terug moeten naar de loodsen in Flevoland.

De filmwereld is in alle staten. Maandenlang zijn alle lobbykanalen beproefd om te proberen de duur van de fiscale stimuleringsmaatregelen nog eens te verlengen. Het was ook niet niks. In vijf jaar tijd konden de producenten beschikken over zo'n 200 miljoen euro overheidssteun, terwijl ze het anders hadden moeten doen met maximaal 65 miljoen. Het enige wat ze hoefden te doen was voldoende particulieren vinden die in hun films wilden investeren via een zogeheten commanditaire vennootschap (cv).

Daar organiseerden ze avondjes voor, met tv-presentatoren als René Mioch. Zei Mioch tegen de zaal: voor de pauze gaan we vertellen wat voor film het wordt, na de pauze vertellen we iets over de rendementen die u op uw investering kunt verwachten, dan was vraag één: kunnen we de volgorde niet omdraaien?

Succesvol

Hebben de producenten zich niet blindgestaard op die cv-regeling? Er zijn meer films geproduceerd, ze oogden beter en klonken beter, en er zijn veel meer mensen naar komen kijken dan de laatste decennia gebruikelijk was, zeker. Maar waren het nou allemaal films die zonder fiscale steun niet te maken waren geweest? Waren ze allemaal wel zo succesvol? En waren ze wel allemaal zo goed?

Het begon omineus, met een fantasiefilm van Herman van Veen, Nachtvlinder. Terecht rampzalige kritieken, de film ademt een als eigenzinnigheid vermomd amateurisme dat uitgestorven leek sinds Toon Hermans Moutarde van Sonansee maakte. En ook de bezoekcijfers – nog geen 9.000 mensen – weerspraken de intenties van het overheidsbeleid.

Het was namelijk te doen om een gezonde Hollandse filmindustrie. De belangrijkste doelstellingen van het beleid waren meer Nederlandse speelfilms met meer `marktoriëntatie' (lees: meer bezoekers). Niet voor niks is het leidende departement voor dit beleid Economische Zaken geweest, en niet OCenW.

Maar er zitten wel degelijk ook culturele vooronderstellingen achter het beleid. Eén: als je maar een heleboel films produceert – goede, matige en slechte – creëer je een mate van professionaliteit die zich ten slotte uitbetaalt in de beste Nederlandse films. Een paar jaar Volle Maan-achtige films en je krijgt vanzelf een Nynke – zoiets.

Twee: de (vaak jonge) bezoekers die je met Volle Maan en Costa! naar de bioscoop haalt, zien daar dat Nederlandse films helemaal niet zo knullig zijn als ze altijd dachten en dat geeft hun het vertrouwen om de volgende keer ook naar Oesters van Nam Kee te gaan, of naar De Grot. En ten slotte, daar is in ieder geval Toine Berbers van overtuigd, de directeur van het subsidiefonds voor de Nederlandse film, gaan ze misschien zelfs naar Nynke.

Na Nachtvlinder kreeg je Lek. Lek leek uitgevonden voor de cv-regeling. Een lekker verhaal in de Hollandse onderwereld. Van een regisseur die met All Stars had bewezen jong publiek naar de bioscoop te kunnen krijgen, Jean van de Velde. Met in de cast een paar acteurs die daarbij goed zouden helpen: soapster Cas Jansen en muzikant en cabaretier Thomas Acda.

Lek is goed gelukt. Lek is spannend, Lek is brutaal. Lek, dat kon je meteen zien, heeft production value – een woord waar producenten dol op zijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat er bij een botsing geen twee, maar acht auto's op elkaar botsen. Of dat je een stad ook eens vanuit een helikopter gefilmd ziet. Of dat je geen vijf gekostumeerde figuranten door een negentiende-eeuws straatje ziet lopen maar vijftig. Waar Grijpstra en De Gier in de jaren tachtig nog rondreden in Volkswagentjes en de boeven meestal op een motor, stapte Lek-schurk Victor Löw grijnzend in zijn gele Lamborghini. Production value is voor producenten het sleutelbegrip van de afgelopen vijf jaar.

Het is prachtig dat regisseur Pieter Verhoeff in Nynke (2001) zijn Pieter Jelles Troelstra een schuur vol gekostumeerde landarbeiders kan laten toespreken. Dat is inderdaad production value. Maar zou die dáár dat half miljoen bezoekers mee hebben getrokken? Het is hooguit de slagroom op de taart, extra glans voor een van de weinige echt geslaagde cv-films, met een goed scenario, zorgvuldige fotografie en mooi acteerwerk tot in de bijrollen – wat ook allemaal veel geld kost. Alleen de veel minder succesvolle komedie Zus en Zo (2002) van Paula van der Oest kan zich hiermee meten. En Phileine zegt sorry van Robert Jan Westdijk, die volgende week het filmfestival in Utrecht opent.

Verder is production value vooral de schaamlap voor zeker tien nondescripte films die ook van Nederlands belastinggeld zijn gemaakt in het niemandsland van de internationale coproductie. Films als Adrenaline, Soul Assassin of Morlang. Met hier en daar wat Nederlandse inbreng om aan de fiscale randvoorwaarden te voldoen, maar verder helemaal dat typische internationale niks, die filmische equivalent van computergames, waar poppetjes met zorgvuldig geneutraliseerde raskenmerken rondlopen in niet nader te duiden locaties. Deze films zijn meestal een aaneenschakeling van stunts, achtervolgingen en explosies, liefst vertraagd opgenomen. Al wat je ervan kunt zeggen is dat Nederlandse regisseurs als Roel Reiné (Adrenaline) ermee bewijzen dat ze dat ook kunnen – gefeliciteerd.

Knipogen

Gek eigenlijk dat Lek nog geen 100.000 bezoekers trok. En ook Ik ook van jou, een Giphart-verfilming door Ruud van Hemert, met nadrukkelijke knipogen naar Turks Fruit, kreeg het jaar erop geen bijzondere ontvangst. Een houterig geconstrueerde raamvertelling, beginnend in een zinloos buitenland (production value!), met een houterige hoofdrol voor ex-soapie Anthony Kamerling. Geen briljante film en minder dan 150.000 bezoekers.

Intussen hadden interessante regisseurs als Eddy Terstall en Theo van Gogh ook de weg naar de vrije markt gevonden. Zij maakten respectievelijk Rent-a-Friend en Baby Blue, aardige films die niet bijzonder opvallen in het oeuvre van de makers en waar niet meer mensen naartoe kwamen dan naar hun eerdere films. Van Baby Blue kunnen we nog zeggen dat een deel op de Antillen is opgenomen (production value!)

Verder kwamen er films uit zoals je ze alle jaren wel in Nederland zag. Je had Wilde Mossels, een sympathieke variant op het veel succesvoller Spetters van Paul Verhoeven. Je had De Zwarte Meteoor, een keurige periodefilm (Achterhoek jaren vijftig: production value!), gezien door ruim 7.000 bezoekers. Je had een jeugdfilm, Mariken, waar ruim 55.000 mensen op afkwamen; jeugdfilms hebben al langer een goede naam. Er was de `moeilijke' film De Omweg van Frouke Fokkema, die waarschijnlijk alleen is gezien door de stille vennoten: 275 bezoekers. Er was een prul als De Vriendschap, Nederlandse tv-humor op het grote doek: nog geen 2.000 bezoekers. Via de cv-regeling ging kortom wel veel belastinggeld de filmwereld in, maar veel bijzonders leverde het nog niet op.

En toen kwam The Discovery of Heaven. Er was een heleboel publiciteit aan voorafgegaan. Dat het de duurste Nederlandse film aller tijden was. Of het eigenlijk wel een Nederlandse speelfilm was. Hij zat in een Engels/Amerikaans cv-pakket met het historisch drama Enigma van Michael Apted en Fogbound, een misbaksel van Ate de Jong. De voertaal was Engels en er speelden vrijwel alleen Engelse acteurs in. In deze tijd kwam de cv-regeling vooral in het nieuws doordat buitenlandse producenten de weg naar de Nederlandse belastingdienst wel heel makkelijk leken te vinden.

Maar The Discovery of Heaven, die met veel bravoure door Jeroen Krabbé gemaakte film vol vallende bomen en neerstortende meteoren, die twee uur durende stoomcursus Grote Filosofieën, die kreeg in Nederland bijna een miljoen mensen naar de bioscoop. En daar is echt iets veranderd, iets wat voor het succes van de Nederlandse films daarna veel wezenlijker lijkt dan alle production value bij elkaar.

Op dat moment kregen de bioscoop-exploitanten en filmdistributeurs pas echt vertrouwen in de potentie van de Nederlandse film. Dat laten een paar simpele staatjes van de Nederlandse Federatie van Cinematografen zien. Tot en met het jaar 2000 werd een Nederlandse film zelden of nooit uitgebracht met 50 kopieën of meer. In 2001 en 2002 gebeurt dat met respectievelijk vier en zes films. In de jaren ervoor kwamen van alle Nederlandse films gezamenlijk nooit meer dan 350 kopieën uit, in 2001 en 2002 waren dat er 638 en 754. En wat het meest bijzonder is: het gemiddelde aantal bezoekers per kopie, de graadmeter voor commercieel succes, blijft vrijwel gelijk. De Nederlandse film wint het in dit opzicht zelfs van de Amerikaanse.

Na The Discovery of Heaven trekken Nederlandse films – niet alleen de cv-films – massaal publiek. Worden ze ineens beter? Nee. Zijn ze ineens professioneler gemaakt? Ook niet. Is Oesters van Nam Kee beter dan Ik ook van jou? Helemaal niet. Er is alleen meer gelegenheid om ze te zien.

Doelgroepen

Het extra commerciële succes van de laatste jaren komt vooral door een samenloop van doelgroepenfilms. Costa! (zonder cv-geld gemaakt) en Volle Maan voor het GTST-publiek. Formulefilms, met zacht-Nederlandse liedjes, Georgina Verbaan en Daan Schuurmans. En vooral de jeugdfilms. Minoes, Ja Zuster Nee Zuster, Pietje Bell en Schippers van de Kameleon – dat waren dé cv-knalsuccessen. Ook hier is het onderscheid tussen cv-films en gewone films niet altijd even groot. Is Pietje Bell beter dan Kruimeltje of Abeltje? Zie je daar het extra geld aan af? Nee. Bij Ja Zuster Nee Zuster wel. De kostumering en de uitzinnige choreografie geven de film extra glans. Bij Minoes ook, daar druipt de zorgvuldigheid (en dat is altijd duur bij film) vanaf. Naar verluidt waren de kosten zo hoog, vooral door de digitaal sprekende poezen, dat de film ondanks 1,2 miljoen bezoekers in de bioscoop niet uit de kosten kwam.

Het zou inderdaad doodzonde zijn als zulke films na het afschaffen van de cv-regeling niet meer gemaakt konden worden. Maar als het vooral een kwestie van vertrouwen is, bij makers, exploitanten en publiek, dan kunnen we toch met zijn allen afspreken dat we dat houden? En denk aan de behartigenswaardige woorden in de prospectus van Zusje, cv-film avant la lettre, gemaakt in 1995 met echt durfkapitaal van particuliere investeerders, niet die halfzachte ondernemers van nu die aan de hand van de Belastingdienst naar een gegarandeerd rendement van 4 of 5 procent sjokken. Toen Zusje nog helemaal van de grond moest komen en niemand wist dat het een uitzinnig succes zou zijn bij de critici, op festivals en bij het publiek, toen hielden Robert Jan Westdijk en Clea de Koning hun kandidaat-investeerders al voor: ,,Zolang er niet op ideeën is bespaard kan elke film volle zalen trekken.''