Steun de Cubaanse dissidenten

Europa is op grond van zijn geschiedenis verplicht om de ontwikkeling van een burgerlijke maatschappij in Cuba te ondersteuen, vinden Arpád Goncz, Václav Havel en Lech Walesa.

Eens gaat de revolutie mét Castro ten onder

Precies een half jaar geleden zette het bewind van Fidel Castro 75 vertegenwoordigers van de Cubaanse oppositie gevangen. Ruim veertig coördinators van het Varela-project en ruim twintig journalisten en andere vertegenwoordigers van verscheidene bewegingen pro democratie belandden in gevangenis. Allen werden in schijnprocessen veroordeeld tot gevangenisstraffen van 6 tot 28 jaar – alleen maar omdat ze het hadden gewaagd een andere mening dan de officiële te uiten.

Toch wordt de stem van de Cubanen met een eigen mening luider, en juist daarover maken Castro en zijn regering zich ongetwijfeld ongerust. Ondanks de alomtegenwoordige geheime politie en overheidspropaganda hebben duizenden Cubanen hun moed getoond door petities te tekenen voor het Varela-project, dat oproept tot een referendum over de vrijheid van meningsuiting en vergadering, de vrijlating van politieke gevangenen, ondernemingsvrijheid en vrije verkiezingen. De reactie van het Castro-bewind op het Varela-project en andere initiatieven was in het gunstigste geval dat het zich doof hield, in het ongunstigste dat het tot vervolging overging.

De jongste golf van confrontaties, vergezeld van anti-Europese uithalen door de Cubaanse politieke leiding, kan niet anders worden gezien dan een uiting van zwakte en vertwijfeling. Het bewind raakt buiten adem – net als de partijleiders in de landen achter het IJzeren Gordijn aan het einde van de jaren '80. De binnenlandse oppositie wint aan kracht – zelfs de politie-invallen in maart hebben haar niet op de knieën kunnen krijgen. De tijden veranderen, de revolutie wordt samen met haar leiders ouder en het bewind is zenuwachtig. Castro weet maar al te goed dat eens de dag zal komen dat de revolutie met hem ten onder gaat.

Niemand weet wat dan zal gebeuren. Maar als het zover is, zullen de kansen voor een vreedzame overgang naar democratie in de toekomst beter zijn naarmate het de wereld duidelijk is dat vrijheid, democratie en welvaart in dat land afhankelijk zijn van steun aan zijn dissidenten.

De democratische wereld heeft de verantwoordelijkheid de vertegenwoordigers van de Cubaanse oppositie te steunen, hoe lang de Cubaanse stalinisten zich ook aan de macht vast mogen klampen.

Het kan niet worden beweerd dat het Amerikaanse embargo tegen Cuba de gewenste resultaten heeft gebracht. Dit kan evenmin worden gezegd van het Europese beleid, dat aanzienlijk welwillender tegenover het Cubaanse bewind is geweest. Het wordt tijd om de transatlantische geschillen over het embargo tegen Cuba opzij te zetten en ons te richten op rechtstreekse steun aan Cubaanse dissidenten, politieke gevangenen en hun families. Europa zou ondubbelzinnig duidelijk moeten maken dat Castro een dictator is en dat democratische landen niet met een dictatuur kunnen samenwerken tenzij deze een begin maakt met een proces van politieke liberalisering.

Tegelijkertijd zouden de Europese landen een `Democratisch Cuba-Fonds' moeten instellen, om de ontwikkeling van een burgerlijke maatschappij in Cuba te ondersteunen. Zo'n fonds zou onmiddellijk kunnen worden aangesproken zodra zich politieke veranderingen op het eiland voordoen.

De jongste Europese ervaring met een vreedzame overgang van dictatuur naar democratie, destijds in Spanje en later in de landen van Midden-Europa, is voor de Cubaanse oppositie een bron van inspiratie. Vooral Europa zou niet mogen aarzelen. Het is verplicht te handelen op grond van zijn eigen geschiedenis.

Arpád Goncz is oud-president van Hongarije. Václav Havel is oud-president van de Tsjechische Republiek. Lech Walesa is oud-president van Polen.