Proeven aan wat geschreven staat

Drie jaar geleden debuteerde Marjoleine de Vos als dichter met de bundel Zeehond graag. De gedichten in dit debuut waren vol illusies, maar hadden bovenal ook een illusieloze boodschap. Dat schiep een spanningsveld tussen verlangen en desoriëntatie, en in dat paradoxale domein stond één opmerkelijk personage op de voorgrond: mevrouw Despina. Ze deed, niet geheel toevallig, een beetje denken aan meneer Cogito, de held en antiheld van de gelijknamige dichtbundel van Zbigniew Herbert; maar mevrouw Despina was minder rationeel. Zin en zintuigen waren sleutelwoorden in haar belevingswereld.

Despina is een in Griekenland veel voorkomende meisjesnaam. `Koningin' of `godin' is de letterlijke betekenis. Zo'n naam schept verplichtingen, en mevrouw Despina gedraagt zich daarnaar – ook in Kat van sneeuw, de tweede bundel van Marjoleine de Vos. Een van de vijf reeksen in deze bundel is naar haar vernoemd. In het openingsvers van die reeks ziet ze zichzelf nadrukkelijk anders dan ze op de foto staat. Niet als een vrouw `te bleu/ voor poederkwast of lippenstift' maar als `een heksenbezem en geheim godin/ gehuld in rozerood en rinse charme/ granaatappelgelijk – die je moet slaan/ wil hij zich korrelig geven aan/ wie naar hem dorst'. Tegelijkertijd echter is ze voortdurend onzeker. Hoe moet ik leven? vraagt ze meer dan eens.

Mevrouw Despina is iemand die in goedgevulde jas haar dromen aangelijnd laat lopen in de straat. Met die omschrijving typeert Marjoleine de Vos niet alleen haar alter ego, maar vooral ook haar eigen dichterschap. De dromen zijn dan haar metaforen, die in getelde versmaat van gedicht naar gedicht worden geleid. Die versmaat is overigens allerminst dwangmatig; er is voldoende afwisseling in klank en klemtoon, en dat schept een aangenaam parlando. `Zie de lente' is illustratief voor die toonzetting:

Barst plots in sneeuw de helleborus open

trompettert leven en knalt geel forsythia.

Guur waait de lente weg de stille winter

dun hoog licht verdrijft behaaglijk vuur.

Ineens moet alles uit zijn grond of tak

in bermen joelen paardebloemen

de kromme wilg rilt in zijn lichte groen.

Daar staan wij ook, naakt en koud met bloesem

in grijzig haar en willen warm en wild

en dat we houden van die schrille kleuren

van elkaar.

Dit vers is ook een passend voorbeeld van het zintuiglijke en zinnelijke karakter van de poëzie in Kat van sneeuw. Natuur en dingen worden dicht op de huid ervaren en beschreven. Maar die zintuiglijkheid staat in elk gedicht in dienst van het betoog want, alle engelen en andere illusies ten spijt, er wordt meer beweerd dan gelierd.

Behalve ervaring zindert ook heel wat kennis mee. Figuren uit de Griekse mythologie (Hefaistos, Baukis), muziekcitaten (`Bist du bei mir') en christelijk gedachtegoed (`Wat de toekomst brengen moge') spelen een meer of minder belangrijke rol. Dat geeft de verzen een gelaagdheid die zich niet altijd rechtstreeks laat duiden. Vooral de titelcyclus is ambigu. Is de kat van sneeuw het visioen van een gestorven huisdier? Die interpretatie houdt drie gedichten stand, maar dan komt `Wederdood':

Die kat op weg naar wederdood in lente

was zij ons lief maar toch niet echt

een droom met eigen hand gemaakt

dus levenloos en al gedoemd tot smelt

terwijl wij redding zeggend zingend

ondergaand de grond in zinken om

als koude bloem misschien

een plaats te kennen die ons niet

want 's avonds al vergeten.

Dat zet vraagtekens. Gaat de cyclus bij nader inzien over niet meer dan een feliene versie van de sneeuwpop? En is die sneeuwkat dus niet meer dan een totem in de seizoenenrite? De twee volgende verzen, `Zie de lente' en `Baukis', kunnen die opvatting bevestigen.

Ik houd ervan als een dichter zulke problemen opwerpt, te meer als het taalgebruik in eerste instantie geen vraagstukken suggereert. Marjoleine de Vos stoeit wel een beetje met de syntaxis en schuwt het gebruik van komma's, maar je kunt haar taal niet duister noemen. Haar referentiekader is weliswaar eigenzinnig, maar niet ondoorgrondelijk. En er zijn, hoe summier ook, verhelderende aantekeningen.

Met een macht aan beelden verwoordde Zeehond graag drie jaar geleden de onmacht van woorden. In Kat van sneeuw is de machteloosheid van de taal minder nadrukkelijk, maar toch weer aanwezig. Het motto van het Despina-vers `Koninginnedag' vat het paradoxaal samen: `Niets is gezegd voor het uitgedroomd werd in woorden,' schreef de Australische dichter Les Murray, `en niets is waar wat alleen maar in woorden verschijnt.' Zo krachtig, maar ook zo gebrekkig is taal. Vergeefs dus wil de `ik' in `Altijd die dingen' de zwijgende materie met striemende woorden te lijf, en onzekerder nog wordt taal in het teken van de vergankelijkheid. De slotreeks `Lacrimae' raakt daaraan. `Wat willen deze woorden in het groen,' wordt daarin gevraagd, `wat zingen ze, zijn ze soms bang/ dat dit moment geen leven lang?'

Het laatste vers van de bundel is een echo van alle openlijke en verholen twijfels in Kat van sneeuw. `Onzekerheidsprincipe' heet het dan ook:

Wie ziet dit landschap zo dat het bestaat

niet ongebeurd verdwijnt in golven licht

maar in een toekomst verder gaat

met onbekende vaart. Ik sta hier maar

begrijp zoals gewoonlijk niets en snak

naar vaste grond onder mijn voet.

Hoewel verplicht om te verstoren

wat ik weten wil wou ik toch lezen

wat hier niet geschreven staat.

In Zeehond graag won de retoriek het in een enkel gedicht nog van de poëzie. In haar tweede bundel heeft Marjoleine de Vos dit van nature vijandige tweetal tot bondgenoten gemaakt, en in dat verbond staan de zintuigen wagenwijd open. `Geen pink kan hier gemist, geen oogopslag,' stelt het openingsvers van de bundel. `Elk zintuig kent ons tot de puntjes/ baant ons een weg de wereld in/ en leidt ons tot verslaving.' Het zijn de laatste regels van `Kinderspel', maar ook de spelregels van alle volgende gedichten. Ondervinding en belezenheid zijn daarin met voelen, kijken, horen, ruiken en proeven gepaard. Ook bij herhaalde lezing valt er in Kat van sneeuw dus veel te beleven.

Marjoleine de Vos: Kat van Sneeuw. Van Oorschot, 59 blz. €12,50