Opvoeden door af te breken

Ruim 28 miljoen Russen hebben geleden onder de verschrikkingen van de Goelag. Dankzij nieuw archiefmateriaal, gesprekken met overlevenden komt nu in een grondige studie elk facet aan de orde.

Vladimir Poetin is de populairste president die Rusland ooit heeft gehad. Wonderlijk, zo'n onopvallend, boekhouderachtig ogend mannetje met een wat koele uitstraling en kille vissenogen. Nou heeft Rusland maar een kleine eeuw presidenten gekend. Bovendien was de president in de sovjettijd een zuiver ceremoniële functie. De eigenlijke macht lag bij de secretaris-generaal van de communistische partij. Maar ook als we de partijleiders meerekenen staat Poetin wat populariteit betreft aan de top. Michail Gorbatsjov bleef toch voornamelijk een held in het buitenland, in Rusland zelf vonden velen hem een watje die een wereldrijk heeft verkwanseld.

Poetin heeft twee gezichten. Voor buitenlands gebruik spreekt hij met twee woorden, als het moet zelfs in vloeiend Duits. Hij is het eerste Russische staatshoofd dat zich in internationaal gezelschap weet te gedragen (vergelijk dat met de beroemde schoen waarmee Chroesjtsjov bij de VN op tafel sloeg, de seniliteit van Brezjnev en de openbare dronkenschap van Jeltsin).

Voor binnenlands gebruik heeft Poetin een andere woordenschat. Tsjetsjeense terroristen zijn voor hem `addergebroed', `ongedierte', `onderkruipsels', die `door de plee moeten worden gespoeld'. Dat is de Russische variant van `We'll smoke them out of their holes', de cowboytaal van George Bush.

Zoals de krachttermen van Bush wortelen in zijn Texaanse olieverleden, zo verraden de stalinistische formuleringen van Poetin zijn KGB-achtergrond. Poetin, een voormalige kolonel van de geheime dienst, was onder meer een paar jaar inlichtingenofficier in de DDR. De KGB is na de val van het communisme opgegaan in de FSB (de Federale Veiligheidsdienst), grotendeels met handhaving van personeel. Poetin is daar zelfs nog een jaar directeur van geweest.

Vreemd idee. Een staatshoofd dat in de traditie staat van opeenvolgende hoofden van de Russische geheime dienst als `ijzeren' Feliks Dzerzjinski (die de tegenstanders van de Russische revolutie decimeerde), Genrich Jagoda (de uitvoerder van de deportatie van bijna de complete boerenstand), Nikolaj Jezjov (de dwerg die verantwoordelijk was voor de Grote Terreur), Lavrenti Beria (van de moord op de Poolse officieren in Katyn) en Joeri Andropov (van de vervolging van de dissidenten). Van dat verleden heeft Poetin zich nooit gedistantieerd, net zomin als de FSB ooit de hand in eigen boezem heeft gestoken. Sterker nog: Poetin heeft vele tientallen ex-KGB-functionarissen meegenomen naar het staatsapparaat, waar zij zich nu bezighouden met de bestrijding van terrorisme of van drugshandel.

Poetin kan nu in één klap zijn geheugen opfrissen door Gulag van Anne Applebaum te lezen. Het is de eerste alomvattende geschiedenis van die verzameling van duizenden strafkampen die door Aleksandr Solzjenitsyn de Goelag Archipel is gedoopt. `Goelag' is de afkorting van Glavnoje Oepravlenije Lagerej (hoofddirectoraat van de kampen) en is in de vorige eeuw bijna synoniem geworden met het sovjetsysteem.

Over de Goelag is heel veel geschreven. Miljoenen zijn in de loop van het zeventigjarig bestaan van de Sovjet-Unie door het kampencomplex gespoeld. Miljoenen zijn omgekomen, maar evenzovelen hebben het overleefd en sommigen hebben hun memoires op schrift gesteld. De beroemdsten zijn Aleksandr Solzjenitsyn, Varlam Sjalamov, Lev Razgon, Jevgenija Ginzburg, Vladimir Boekovski, Anatoli Martsjenko. De journalist Anne Applebaum, columnist en commentator van de Washington Post, voorheen correspondent voor de Economist in Warschau, heeft al die memoires gelezen en daarnaast nog tal van ongepubliceerde manuscripten en egodocumenten die zijn opgedoken door organisaties als Memorial, die onderzoek doet naar de erfenis van het stalinisme. Ze sprak met overlevenden en waar mogelijk deed ze archiefonderzoek, nog steeds niet eenvoudig in het postcommunistische Rusland.

Er is geen onderdeel van het strafsysteem dat ze onbesproken laat. Arrestatie, gevangenis, transport, het kampleven, de bureaucratie, de soorten dwangarbeid, de bewakers, vrouwen en kinderen, de stervenden, overlevingsstrategieën, opstand en ontsnappingen, de invloed van de oorlog, buitenlandse gevangenen, amnestieën, kampjargon, deportaties, de economische betekenis van de kampen etcetera. Na lezing van het zeshonderd pagina's dikke boek sta je opnieuw versteld van de wreedheid van het systeem en de onvoorstelbare bureaucratie waarmee het tot in de kleinste details is vastgelegd.

De ellende begon al vrijwel direct na de Russische revolutie, met het eerste strafkampcomplex op Solovki, een eilandengroep in de Witte Zee waar vooral `vijanden van de revolutie' werden opgeborgen. Dat waren nog veelal echte tegenstanders van de bolsjewieken die er uitgesproken politieke opvattingen op nahielden. Het officiële doel van hun isolatie was nog heropvoeding. In de loop van zeventig jaar fluctueerde het vervolgingsbeleid met de waan van de dag. Op het hoogtepunt van de terreur, in 1937 en 1938, werd tien minuten te laat op je werk komen al als sabotage beschouwd en begon de machinerie zich te richten op pure vernietiging, door executie, of door mensen zich dood te laten werken in de mijnen.

Daarna begon de economische factor weer mee te spelen: dwangarbeiders moesten juist in leven worden gehouden om in de ontoegankelijkste streken van het land de grondstoffen te winnen die snelle industrialisatie mogelijk moesten maken. In de nadagen van het sovjetregime lag de nadruk juist weer op de isolatie van `andersdenkenden', dat fraaie eufemisme voor dissidenten die openlijk voor hun mening uitkwamen.

Applebaum ontzenuwt enige mythen over het kampsysteem, bijvoorbeeld de mythe over de ijzeren greep van Moskou. De Sovjet-Unie was groot en al poogden de autoriteiten het hele land centraal te controleren, kampcommandanten wisten de feiten vaak handig te verdraaien. De bureaucratie eiste verantwoording, over zulke uiteenlopende zaken als productie, kosten per dwangarbeider, voedselrantsoenen, zieken en dodenaantallen, gevallen van insubordinatie. Maar cijfers werden aan de lopende band geflatteerd en aangepast aan de behoeften van Moskou. Er werd gelogen bij het leven en ondertussen ging men lokaal zijn eigen gang. Sommige commandanten vestigden met de slavenarbeid kleine koninkrijken. Ze wentelden zich in weelde en lieten de artistieke elite uit hun kamp voor hun vermaak complete operavoorstellingen opvoeren. Maar gek genoeg waren er ook kampen waar de situatie humaner was omdat de commandant begreep dat er met `dochodjagi' (jargon voor `wandelende lijken') geen winst te behalen was.

Een andere mythe luidde dat ontsnappen uit de kampen bijna onmogelijk was en bijna altijd met de dood moest worden bekocht. De kampen waren onveranderlijk gesitueerd in de meest barre streken van het land, maar Applebaum laat zien dat er ook duizenden geslaagde ontsnappingen en zelfs grote kampopstanden plaatshadden. Vooral de zware criminelen met hun levenslange vonnissen hadden niets te verliezen. Ze zochten zelfs hun toevlucht tot kannibalisme om na een ontsnapping de bewoonde wereld te kunnen bereiken. Ze namen gewoon een `dikke' gevangene mee als mondvoorraad.

Applebaum staat uitgebreid stil bij de verhouding tussen de criminelen en de `politieken'. Daarbij moet de kanttekening worden gemaakt dat de meeste `criminelen' geen echte misdadigers waren – de kleinste overtredingen werden al als aanval op de staat beschouwd en met werkkamp bestraft – en dat ook de meeste politieken hoegenaamd niets politieks op hun geweten hadden. De echte harde kern van de criminelen, de `oerki' in jargon, hadden in de kampen vaak de macht. Zij beslisten over leven en dood, over het verdelen van de makkelijke baantjes en de beste slaapplekken in de barakken. Ze kozen vrouwen uit, gingen zich te buiten aan groepsverkrachtingen of vermoordden artsen die geweigerd hadden hen ziek te melden. Soms grepen de kampautoriteiten in, soms keken ze de andere kant op, soms waren ze zelf als de dood voor de criminelen. Na de oorlog veranderde de verhouding tussen criminelen en politieken overigens. De nieuwe stroom politieke gevangenen was van een totaal ander kaliber dan de verbijsterde en gedesoriënteerde intellectuelen van de jaren dertig. De politieken waren nu vaak zeer gemotiveerde Balten, Polen of Oekraïeners, die gehard uit de Tweede Wereldoorlog waren gekomen en ook in de kampen niet meer met zich lieten sollen.

De Goelag Archipel was een model van de Sovjet-Unie. Een systeem dat gebaseerd was op het idee van de maakbaarheid van de samenleving, waarbij mensen beschouwd werden als ruw materiaal. Een systeem dat uiteindelijk vastliep in zijn eigen waanzin. Neem de overtuiging dat de kampen economisch onmisbaar waren. Applebaum laat zien dat zieke, ondervoede, wegterende gevangenen uiteindelijk toch meer kosten dan ze opbrengen, al was het maar omdat ze maar één doel hebben: lijntrekken uit puur lijfsbehoud. Hele brigades houthakkers of steenhouwers slaagden erin de quota (`norm' in kampjargon) te omzeilen door reeds gevelde boomstammen twee keer op te voeren. Waanzin was ook dat de gevangenen net zolang werden afgebeuld totdat ze meer dood dan levend bij de ziekenboeg werden ingeleverd. Daar werden ze dan met zachte hand opgelapt door artsen en verpleegsters, om opnieuw de goudmijnen te worden ingestuurd.

Applebaum kan uiteraard niet om de al jaren slepende discussie over de aantallen slachtoffers van de Goelag heen. Ondanks het opengaan van verschillende archieven en ondanks het noeste werk van een aantal Russische historici blijft dat altijd giswerk, zegt ze. Al was het maar omdat volstrekt onduidelijk is hoe betrouwbaar de statistische gegevens zijn die de sovjetautoriteiten hebben vastgelegd. Met talloze slagen om de arm komt Applebaum tot een totaal van 28,7 miljoen dwangarbeiders in de hele geschiedenis van de Sovjet-Unie, inclusief ballingen, krijgsgevangenen en complete gedeporteerde volkeren.

Het meest onbegrijpelijke van de Goelag blijft toch de hardnekkige bureaucratie waarmee het systeem al die zeventig jaren is begeleid. Lawines van circulaires, voedselrantsoenen, richtlijnen voor productienormen, strafmaatregelen, selectiecriteria, bonusregelingen, hygiënische voorschriften zijn uitgestort over de kampcommandanten, die op hun beurt weer tabellen, productiecijfers, dodenaantallen, zieken, vluchtpogingen et cetera dienden te rapporteren aan het centrum. Controlecommissies zwermden uit over de kampen en kwamen terug met uitgebreide rapporten, die niet zelden zeer kritisch van toon waren en soms zelfs leidden tot vervanging van de kampleiding. Het geheel was één grote bureaucratische zwendel en cover up, waarvan de stille getuigen nu in de omvangrijke archieven van de FSB liggen te beschimmelen.

Een van de kampslachtoffers die in Applebaums boek voorkomen is Janusz Bardach. Hij schreef, samen met Kathleen Gleeson, twee boeken, Man is Wolf to Man (1998) over zijn vier jaar in Kolyma, en Surviving Freedom, dat kort voor zijn dood in 2002 verscheen. Zijn laatste boek is een goede aanvulling op Applebaum. In het kamp heb je maar één doel: in leven blijven om de vrijheid te halen. Maar wat als je die vrijheid hebt teruggekregen?

Janusz Bardach werd geboren als zoon van een joodse tandarts in het Oost-Poolse stadje Wlodzimierz-Wolynski aan de rivier de Bug. In 1939, nadat Hitler en Stalin hun niet-aanvalsverdrag hadden gesloten, verplaatste Stalin de westgrens van de Sovjet-Unie naar de Bug, zodat Janusz opeens in zijn buurland kwam te wonen. Op zijn 22ste werd hij opgeroepen voor het Rode Leger. Zo belandde een opstandige Poolse jongen in het paranoïde stalinistische systeem, waar iedereen elkaar bespioneerde en vagelijk politiek getinte uitspraken je dood konden betekenen. Binnen een halfjaar werd hij aangegeven en verdween hij in de Goelag.

Na vier jaar werkkamp in Kolyma werd hij vrijgepraat door zijn broer, die het na de oorlog tot militair attaché op de Poolse ambassade in Moskou had geschopt. Bij aankomst in Moskou hoorde hij dat zijn ouders, zijn zus en zijn jonge bruid door de Duitsers in een bos bij Wlodzimierz-Wolynski waren doodgeschoten. Hij bleef in Moskou hangen, hertrouwde, en ging terug naar Polen, waar hij tijdens de politieke antisemitische campagne van 1968 opnieuw moest uitwijken, dit keer naar Amerika.

Surviving Freedom is een hallucinerend verhaal. Bardach komt gedesoriënteerd terug uit de dodenkampen van Kolyma en belandt in de luxe schijnwereld van ambassaderecepties en -cocktails, waar zijn broer Julek zich bijna tegen beter weten in staande probeert te houden. Over zijn Russische kampverleden mag hij niet spreken, zijn verdriet over zijn vermoorde familie moet hij voor zich houden, hij heeft geen doel in het leven. Uiteindelijk trekt hij zichzelf bij zijn haren uit het moeras en gaat medicijnen studeren. Ook tegen zijn vrolijke studiegenoten zwijgt hij als het graf. Dat leidt tot bizarre situaties: als zijn collega's tijdens het anatomisch praktikum grappen uithalen met uit de formaline geviste lichaamsdelen, ontsteekt hij in woede over hun respectloze behandeling van menselijke lichamen. Maar hij kan zijn woede niet verklaren: dat hij in de kampen honderden lijken heeft weggedragen moet hij voor zich houden. Een kampverleden maakt hem immers politiek verdacht en zou het einde van zijn studie betekenen.

Dat joden die uit de vernietigingskampen terugkeerden, en in de gewone wereld hun verhalen niet kwijt konden is bekend. Maar Bardachs boek heeft door die politieke schizofrenie nog een extra dimensie. Als hij tijdens zijn studie terugkeert naar Polen om de vakantie door te brengen met de schaarse joodse vrienden uit zijn geboorteplaats die nog in leven zijn, raakt hij opnieuw in de knoop: Polen is inmiddels communistisch geworden. Zijn Pools-joodse vrienden zijn ontsnapt aan de nazi's en dus blij met de inlijving in het sovjetblok. Maar Janusz probeert ze uit te leggen dat de communisten niet de bevrijders zijn waarvoor zij ze houden. Zijn joodse vrienden kunnen dat niet geloven, de nazikampen waren immers erger dan de Goelag, want ze waren ontworpen voor de uitroeiing van de joden. Dat het communisme ook gebaseerd is op terreur en onderdrukking, dat Russen niet kunnen zeggen wat ze willen, dat wil er dus bij zijn vrienden niet in.

Glashelder beschrijft Bardach de tragiek van de Poolse situatie: veel Poolse joden zijn door de oorlog communist geworden en voeden daardoor opnieuw het antisemitisme van de katholieke Polen, die zich door de joodse communisten gekoloniseerd voelen. Het is een gekmakende gril van de geschiedenis en de spraakverwarring tussen hem en zijn vrienden maakt hem nog eenzamer dan hij al is.

De wreedheid van de mens heeft Bardach ondertussen één zekerheid in het leven gegeven: respect is het enige dat telt. In het verpauperde naoorlogse Moskou liepen honderden oorlogsinvaliden rond. Bardach vindt zijn draai tijdens een praktikum bij een plastisch chirurg, die het geschonden gelaat van die menselijke wrakken probeert te repareren, zodat ze weer in de spiegel durven kijken. Wij associëren plastische chirurgie vooral met uitgebluste vrouwen die hun jeugd proberen te rekken met een facelift. Bardach had een heel ander doel: hij wilde zijn patiënten hun menselijke waardigheid teruggeven. Zijn Moskouse professor leerde hem hoe je door granaten weggeslagen neuzen en vervormde lippen weer kunt boetseren tot menselijke gezichten. Bardach had zijn bestemming gevonden. Hij stierf vorig jaar, 83 jaar oud, als emeritus hoogleraar plastische chirurgie van de Universiteit van Iowa.

Anne Applebaum: Gulag. A History. Doubleday, 677 blz. €36,99. De Nederlandse vertaling `Goelag' verschijnt morgen bij Ambo Anthos, 600 blz. €36,90

Janusz Bardach en Kathleen Gleeson: Surviving Freedom After the Gulag. University of California Press, 250 blz. €28,99