Ogen als een raam bij regen

De wereld van de jeugdige verteller in Caradog Prichards roman In de maneschijn strekt niet veel verder dan het kleine Welshe dorpje waar hij opgroeit. Liverpool en Swansea zijn verre exotische oorden. Het dorpje lijkt een beschermd, bijna idyllisch klein universum, begrensd door het veld van Robin Daffyd, de Postweg en het Zwarte Meer.

De Welshe gewoonte om de meeste bewoners te noemen naar hun beroep, of naar de straat of het huis waar ze wonen, tekent geleidelijk de hele topografie van het dorp uit. Als de lezer die kluwen van namen, straten en relaties eenmaal heeft ontward, staat hem de bevolking dan ook duidelijk voor ogen. Prichard baseerde In de maneschijn op zijn eigen jeugdherinneringen. Waarschijnlijk hierdoor weet hij triviale beschrijvingen en opsommingen als wie er allemaal ter communie gaan tijdens de kerkdienst op zondagochtend, en in welke volgorde, belangrijk te doen lijken. Dit is het leven van de dorpsbewoners, dit ís belangrijk. En als kundig schrijver weet Prichard dat over te brengen. Bovendien zijn de stijl en de verteltrant van de jongen zo authentiek dat ze zelfs in de vertaling overeind blijven, inclusief alle uitroepen van goh, nou en jee. Tussen de wirwar van namen en plaatsen, tussen Moi z'n oom Now, Joni Biervat, Kleine Harri Klompen en alle anderen, blijft het jongetje echter naamloos. Ook zonder naam is het een indrukwekkend karakter dat een warm verhaal vertelt waar je het als lezer af en toe koud van krijgt.

Aanvankelijk lijkt zijn leven sober, maar niet slecht, hoewel zijn vader dood is. Zomeravonden worden spelend doorgebracht bij de rivier, en als hij thuiskomt is mama daar altijd om eten te maken, ook al is dat soms niet meer dan aardappelen met melk. In bijzondere beelden beschrijft hij zijn belevenissen, waar in zijn dromen de engelen lawaai maken als `de fazanten in de schaapskooi', en tijdens de begrafenis van een vriendje dat aan tbc is overleden, zijn zijn ogen `zo nat als ramen in een regenbui'. Misschien is hij iets te gevoelig voor zijn leeftijd, maar vooral is hij een vroegwijze kleine jongen. Hij wordt gefascineerd door het theatrale van de kerk. Vol bewondering is hij voor de dominee die preekt over `godinjezuschristus', en hij is ontroerd door de psalmen. Stiekem droomt hij ervan om zelf dominee te worden, ook al mag je dan niet meer vloeken en roken.

Die droom komt niet uit. De schijnbare idylle van het rustige en vredige dorpje wordt al spoedig verstoord. Het blijkt nogal wat gekken en zelfmoordenaars te herbergen. Em, Kleine Now Kolenkit z'n grote broer, komt aan zijn eind in het gesticht, en Moi z'n oom Now hangt zich op achterin de schuur. Ook de armoede en zwaarmoedigheid van moeder worden steeds schrijnender, zodat ook zij in het gesticht belandt. En uiteindelijk blijken alle leuke verhalen over bokswedstrijden achter de plaatselijke kroeg en wandeltochten over de Kale Heuvel een terugblik te zijn van het jongetje als volwassene, als hij is teruggekeerd in zijn geboortedorp na een leven dat verre van idyllisch is uitgepakt. Dat is een mooie literaire draai aan een roman die verder uitblinkt in eenvoud.

Caradog Prichard: In de maneschijn. Vertaald door Frank Lekens.

Podium, 213 blz. €18,–