Is Onno Ruding onfeilbaar?

Oud-minister en bankier Onno Ruding heeft voor zichzelf een egodocument samengesteld met zijn artikelen en toespraken van de afgelopen tien jaar. Een baan als minister van Financiën lijkt de basis voor een levensbeschouwelijke reflectie op het economische systeem – maar in dit boek wordt niet getwijfeld.

In 1999, tijdens het zeventiende lustrum van het Rotterdamsch Studenten Corps, leest oud-rector en erelid Onno Ruding de jongerejaars de les. In de groentijd zijn dingen gebeurd die écht niet kunnen. Hij lijkt een gedesillusioneerd man. Tien jaar eerder besprak hij namelijk hetzelfde thema. Ook deze orenwassing blijft zonder invloed, want binnen een half jaar is het weer raak. De Erasmus Universiteit trekt zelfs de subsidie aan de studentenvereniging in. Dat moet pijn hebben gedaan.

Deze toespraak is de afsluiting van de bundel Het gaat om meer dan geld alleen. Bijna 400 pagina's omvatten een uitvoerige inleiding, vijf opstellen, bijna twintig speeches en dertien in diverse media verschenen interviews. Het lijkt onhandig om een kwart van de bundel te vullen met interviews: zo wordt het eerder een egodocument dan de ongetwijfeld bedoelde analyse van economie en geloof. Bovendien doubleren de interviews. Pregnante elementen uit zijn levensloop passeren steeds weer de revue (chirurgenzoon die door een abonnement op de Volkskrant geïnteresseerd raakt in economie, minister die 80 procent salaris inlevert, Amerikaanse topbankier die lid is van de Pauselijke Raad Justitia et Pax). Echter, de verzameling interviews is tenminste leesbaar en herkenbaar. Ruding. Al lezend hoor je hem spreken. De Ruding-humor (`Tante Truus') klinkt door. En de doublures neem je op de koop toe, want verder is de bundel gespeend van humor en relativering: als hij over de paus als ,,profeet over economie en kapitalisme'' spreekt, meent hij dat letterlijk.

Rudings pen is in plamuur en platitudes gedoopt. De Haagse beleidsmantra's over nut en noodzaak van de euro, de ondraaglijke lastendruk en het immer te expansieve beleid worden ijverig gereproduceerd. Dat kan natuurlijk niet tot nieuwe inzichten of verfrissende denkbeelden leiden. Beleidsideeën, maatschappelijke opvattingen en geloofsartikelen zijn altijd `Terecht', `Volkomen Terecht' dan wel `Naar Mijn Mening Terecht'. (Tenzij ze van Bert de Vries zijn, want die heeft ,,ondeugdelijke oprispingen''). Het is aardig eens te turven hoe vaak recente ontwikkelingen Ruding in zijn mening steunen of hoe vaak hij ,,altijd'' heeft behoord tot mensen die gezonde opvattingen huldigen. Ceterum censeo is, kortom, koning: er wordt in dit boek niet getwijfeld.

Dat gebrek aan relativeringsvermogen is opmerkelijk. De moderne professionele econoom beseft maar al te goed dat de geldigheid van theorieën en adviezen afhangt van de condities van plaats en tijd. Wat toen & daar goed was, kan nu & hier dom zijn. Het begrotingstekort terugdringen is wijs beleid bij hoge lasten, expanderende staatsschuld en vooral in tijden van aantrekkende groei, maar is niet aangewezen in een recessie, mits het tekort bij ongewijzigd beleid binnen de 3-procentsnorm van de EMU blijft. Zulke nuances ontbreken geheel in deze bundel.

Waarom zijn de economische inzichten van Ruding in marmer gegrift? Misschien is de verklaring wel dat Ruding de gehele Haagse consensus over financieel economisch beleid herleidt tot de pauselijke encycliek Centesimus Annus uit 1991. Het kartelverbod, intern en extern evenwicht, begrotingsconsolidatie, vrijheid van onderneming, particulier eigendom, activerend arbeidsmarktbeleid: allemaal exportproducten van de Heilige Stoel. En daarmee zijn de economische opvattingen natuurlijk onfeilbaar.

Ruding zelf ziet louter voordelen van zijn rechtlijnigheid. Maar die maakt zijn beschouwingen over monetaire kwesties, belastingen en de Nederlandse economie onnodig zelfgenoegzaam, steriel en veel te voorspelbaar.

Anders is dit gesteld met de delen die handelen over de moraal van werken, verdelen en produceren. Hier intrigeren Rudings opvattingen, die nog actueler zijn dan hij zich zal hebben gerealiseerd toen hij de desbetreffende bijdragen selecteerde. Rudings pleidooi voor meer ethiek in het (bedrijfs)economisch handelen komt op tijd voor de noodzakelijke heroriëntering van het Nederlandse bedrijfsleven dat getergd wordt door de naweeën van boekhoudschandalen, bouwfraude en beursschermutselingen. Daarbij kan overigens ook worden geput uit werk van Rudings ambtsvoorgangers, bijvoorbeeld de door Witteveen in 2001 gepubliceerde studie Soefisme en economie. Minister van Financiën lijkt de baan bij uitstek om je te realiseren dat het om meer dan geld alleen gaat. Een uitstekende basis voor levensbeschouwelijke reflectie op het economische systeem.

Een van de hoofdthema's wordt gevormd door het versterken van corporate governance. Hierbij gaat het om de normen en waarden die centraal staan bij het besturen van ondernemingen. Soms zijn Rudings opvattingen triviaal (,,men moet zich aan de wet houden''), in andere gevallen komt zijn ervaring in de publieke en particuliere sectoren en aan beide zijden van de Atlantische Oceaan beter tot zijn recht. Dan levert zijn unieke perspectief toegevoegde waarde. Bijvoorbeeld bij het analyseren van het spanningsveld tussen ethische normen (die essentieel zijn voor de reputatie en dus de continuïteit van de onderneming) en beloningssystemen die onvermijdelijk leiden tot kortetermijndenken.

Ruding onderkent dat de tucht van de markt het interne zelfregulerende en zelfreinigende vermogen niet kan afdwingen. Oplossingen zoekt hij in aanvullende regulering zoals het inbouwen van checks and balances, het aanpakken van beschermingsconstructies, grotere transparantie (inclusief beloning van het topmanagement) en échte onafhankelijkheid van accountants. Zulke maatregelen spreken aan en zijn realiseerbaar. Ruding bepleit bovendien dat het topmanagement een voorbeeld moet stellen door normen en waarden na te leven. Het zou inderdaad mooi zijn als het opbouwen en handhaven van integriteit en het aanleren van verantwoordelijkheidsgevoel, vertrouwen en betrouwbaarheid meer aandacht kregen in het bedrijfsleven. Dat pleidooi is niet zonder betekenis, maar de realist zal zijn kaarten eerder zetten op juridische middelen die het mogelijk maken bestuurders persoonlijk en voelbaar verantwoordelijk te stellen.

Al met al is Het gaat om meer dan geld alleen een fraai uitgevoerde bundeling van Rudings publieke uitlatingen sinds 1992, waarbij het jammer is dat aan de redactie niet evenveel aandacht is besteed als aan het uiterlijk. Engelstalige bijdragen blijven onvertaald. Sommige hoofdstukken zijn mager. De context is moeilijk te doorzien. Een brief aan de bisschop van Rotterdam, een geïsoleerde passage uit een toespraak of uitgeschreven spreekpunten voor een studiedag. Het zijn enige voorbeelden van de verdwaalde excerpten die detoneren naast de meer gedegen pennenvruchten. Ruding heeft de bundel samengesteld zonder compassie voor zijn lezers. Het gaat er blijkbaar vooral om dat hij iets gezegd heeft.

H.O.C.R. Ruding, Het gaat om meer dan geld alleen. Artikelen & toespraken 1992-2002, uitg. Boom, 389 blz., €35, ISBN 90-5352-887-3.