Honderd procent Amerikaans

Eric Fischl schildert de verveling en leegte in de Amerikaanse suburbs. Zijn schilderijen zijn één en al conflict en paradox.

`Tumbling Woman' heet de bronzen sculptuur van Eric Fischl die vorig jaar in het Rockefeller Center in New York werd geplaatst ter herdenking van de aanslag op het World Trade Center: een levensgroot, Rodin-achtig beeld van een naakte vrouw die naar beneden tuimelt, de benen zwaaiend in de lucht. Het was door Fischl bedoeld als symbolisering van het algemene gevoel van losgeslagenheid en vervreemding na de ramp. Maar het publiek interpreteerde het kunstwerk, niet verrassend, als de letterlijke verbeelding van een vrouw die uit een van de brandende torens springt. De mensen waren woedend. De sculptuur werd verborgen achter een gordijn en vervolgens verwijderd.

Fischl heeft niet als beeldhouwer, maar als schilder naam gemaakt. En dat begon ook meteen met een schandaal, dit keer niet bij het grote publiek, maar in de kunstwereld. In 1979 exposeerde de 31-jarige Fischl het schilderij Sleepwalker, een groot doek van 175 cm bij 265 cm, waarop een naakte jongen is afgebeeld die zich bij maanlicht staat af te trekken in een zwembadje op een gazon. Het schandaal betrof niet het onderwerp, maar het feit dat Fischl het waagde om een verhalend schilderij te maken. Outrageously figurative werd het door een criticus genoemd.

Op dat moment maakten minimalisten en conceptualisten de dienst uit in de kunstwereld. Wie schilderde was per definitie verdacht, want die deed geen kritisch onderzoek naar de aard van de kunst. En om dan ook nog eens menselijke figuren te schilderen in een verhalende context, dat was hoogverraad. De kunst moest zuiver zijn en nóg zuiverder worden. Dat hield in dat het kunstwerk trouw diende te zijn aan zichzelf als louter vorm en dus totaal voorstellingsloos moest zijn. Maar Fischl had daar na jaren van experimenteren met voorstellingsloosheid schoon genoeg van. Hij wilde inhoud, een verhaal.

Andere schilders waren hem hier al in voorgegaan en werden geëxcommuniceerd (Philip Guston) of gewoon genegeerd (Alex Katz). Maar het tij was niet meer te keren. Er was een grote honger naar een emotionele, persoonlijke schilderkunst, en zo werden de jaren tachtig de jaren van het neo-expressionisme. Deze schilderkunst gedijde goed in het kapitalistische klimaat van Reagan en Thatcher. De kunstmarkt groeide razendsnel en kunstwerken functioneerden als statusverhogend verbruiksartikel. Deze episode, waarin een overmaat aan salonkunst is geproduceerd, heeft een slechte nasmaak, en gelukkig zijn veel namen van schilders inmiddels weer vergeten.

Niet de naam van Eric Fischl. Hij ontwikkelde zich tot de schilder van het Amerikaanse leven par excellence, in ieder geval van het leven in de Amerikaanse suburbs. Zijn werk kenmerkt zich door een combinatie van sleazy onderwerpen en een fabelachtige schildertechniek. Beide, onderwerp en techniek, weet Fischl zó hoog op te voeren dat zijn schilderijen een onontkoombare aanwezigheid hebben.

Blote voeten

Fischls overzichtstentoonstelling in Wolfsburg begint met Sleepwalker. Dit vroege schilderij is hier en daar nog wat onhandig gedaan, bijvoorbeeld in de manier waarop de blote voeten in het water zijn geschilderd. Maar de compositie is volkomen overtuigend, met de lichtblauwe ellips van het zwembad midden op het doek en de twee plastic klapstoelen van de afwezige ouders als stille getuigen erachter. Fischl zei later over dit werk dat hij `al schilderend opging in de gevoelens van de jongen', en dat is te zien. Het hele gebogen jongenslichaam is geconcentreerd op de handeling, de mond halfopen, de ogen dicht.

Niet lang hierna schilderde Fischl Bad Boy, en dit is meteen een van de beste werken uit zijn oeuvre. Een vrouw ligt naakt op een omgewoeld bed en speelt met haar teen. Haar benen zijn wijd gespreid. Tegenover het bed staat een jongen — een buurjongen? haar zoon? Hij kijkt naar haar, recht in haar kruis. Maar tegelijkertijd doet hij iets anders: achter zijn rug steelt hij de portemonnee uit haar tas die op tafel ligt. Gestreept zonlicht valt door de luxaflex. Het tekent diagonalen op de muur en een rasterpatroon op de blauwwitte lakens en op de vrouw. De losse toetsen witte verf lijken een poging om het schaamteloze lichaam te bedekken, waardoor het des te aanweziger is. Op de tafel staat een transparante blauwgroene glazen schaal met sinaasappels en bananen, Matisse waardig.

Fischl groeide op in de suburb van Port Washington op Long Island in een protestants middenklasse milieu. Hij is de tweede van vier kinderen van een zwaar alcoholische moeder. Iedereen deed zijn best om een schijn van orde op te houden, de kinderen gingen dagelijks met schoon gewassen en gestreken kleren naar school. Maar in huis was er verwaarlozing, schuld en bodemloze angst. In 1970, toen Fischl studeerde aan CalArts in Californië, raakte zijn moeder met haar auto van de weg af en reed zich dood. Het gezin, dat tot op dat moment in de zorg om haar verenigd was, viel hierna uiteen.

Fischl schildert zijn eigen milieu. De mensen hangen verveeld rond, zonnebaden op het strakgeschoren gazon, barbecuen naast het zwembad. Een onuitsprekelijke leegte, geschilderd in een verblindend zonlicht. Fischl identificeert zich met deze vulgaire mensen, hij kent ze door en door. De voorstellingen zijn honderd procent Amerikaans, en ook de manier waarop hij ze neerzet: bot en onbehouwen, onbescheiden, volkomen alledaags.

Maar de manier van schilderen, de techniek, is dat niet. Fischl heeft een grote kennis van de Europese schildertraditie. Zijn pogingen om het onderwerp terug te brengen in de kunst voerden hem terug in de tijd naar het scharnierpunt in de laat negentiende-eeuwse kunst toen het Modernisme ontstond en schilders juist begonnen met het onderwerp af te schaffen. Deze schilders, de Impressionisten, wilden het schilderij bevrijden van de religieuze, morele en historische boodschappen waarmee het altijd beladen was. Manet en Degas zijn Fischls grote voorbeelden. Er zijn vele momenten aan te wijzen waarop Fischl deze meesters in schilderkunstig opzicht, bijvoorbeeld wat betreft stofuitdrukking en lichtwerking, evenaart.

Gênant

Anders dan bij de Impressionisten is het werk van Fischl één en al conflict en paradox. Het schilderij is voor hem een battlefield. Er is die virtuoze schildertechniek, maar nooit hebben zijn personages een vanzelfsprekende schoonheid of gratie. Ze zijn zonder uitzondering afstotend, gênant, of op zijn best verlegen met zichzelf. Fischl zegt dat hij zich niet kan voorstellen dat iemand zich ooit volledig op zijn gemak voelt in zijn lichaam. Er zijn momenten waarop het lichaam onhandig en moeilijk wordt en het innerlijk leven verraadt. Deze momenten zoekt hij op met behulp van de fotografie. De foto is zó'n kleine uitsnede uit de tijd dat je bewegingen, gebaren krijgt die je normaal niet opmerkt. In de computer monteert Fischl de foto's tot nieuwe beelden, die het uitgangspunt zijn voor zijn schilderijen.

Een reis naar India in 1989 heeft indrukwekkende doeken opgeleverd. Het was, zegt Fischl, de grootste confrontatie met `anders zijn' die hij ooit had. In Kowdoolie slaagde hij erin om op een bijna Goya-achtige manier de kleurenatmosfeer van stof en zonsondergang te treffen. En ondanks al de kleren die hun lichaam bedekken, schilderde Fischl de Indiase mensen in een ontroerende naaktheid. Deze mensen drukken met hun lichaam geen individualiteit uit, ze zijn overgeleverd aan het grote geheel.

Gelijkmatig is het oeuvre van Fischl niet. Er zitten grote missers tussen. Soms krijgt de anekdote de overhand en zien we in plaats van een overtuigend beeld alleen maar een plat verhaaltje. Soms krijgt de virtuositeit de overhand (bijvoorbeeld in de schilderijen gemaakt na een reis naar Rome) en zien we alleen maar betekenisloze lichtdonker-effecten. En de portretten en zelfportretten missen iedere psychologische diepgang.

Maar waar het wel lukt is Fischls werk ijzingwekkend goed. Zijn enige onderwerp is uiteindelijk het falen van mensen in hun pogingen om zich met elkaar te verbinden. En hoe dichter hij bij huis blijft, hoe beter. Zoals in The bed, the chair, jetlag (2001). In een slaapkamer met maffe fauteuiltjes versierd met rode bamboemotieven ligt een man naakt uitgestrekt op bed. Hij ligt in een kilblauw televisielicht, de ogen afgedekt met een zwart slaapmasker. Hij is ongeïnteresseerd. Een naakte vrouw vooraan het beeld loopt van hem weg terwijl ze zich naar hem omdraait, het hoofd opgeheven, haar borsten met tepels puntig opgericht. Zij is niet kilblauw maar warm en licht en bruin. Kleur, licht, illusionistische ruimte en afstand, schaal en dimensie, alles klopt hier, alles valt samen en resulteert in een raadselachtig, magistraal schilderij.

Eric Fischl: schilderijen en tekeningen 1979-2001. Kunstmuseum Wolfsburg, Porschestrasse 53, Wolfsburg. T/m 4 jan. Wo t/m zo 11-18 di 11-20 u. Op 12 okt. opent een expositie van recente schilderijen in Haus Esters, Wilhelmshofallee 97, Krefeld. Di t/m zo 11-17 u.