Het stalinisme heeft me gered

Bij de eerste publicatie in een Hongaars tijdschrift noemde Kertész zijn Dagboek van een galeislaaf een `bijproduct' van zijn romanschrijven. Deze bundel – notities over zijn denkproces – vormt dan ook een organisch geheel met zijn andere werken. Hij maakt de lezer deelgenoot van zijn leeservaringen – Kafka, Thomas Mann en Nietzsche hebben een belangrijke invloed op hem, maar ook anderen, van Gide tot Toynbee en zelfs Simone Weil. De intellectuele discussies die hij met hen voert, zijn observaties over minuscule details en zijn hunkering naar vorm leiden langzaam naar het oeuvre dat vorig jaar met de Nobelprijs werd bekroond.

Dagboek van een galeislaaf leest als een soort `The making of', en voor wie erin het ontstaan van een empirisch filosofische stelsel ontwaart, is het in feite veel spannender dan de op sensatie beluste onthullingen. Het onderwerp dat hij met wetenschappelijke werkwijze ontleedt is `niet de joden, maar de mens die toevallig jood is. De jood als situatie in het totalitarisme.'

Kertész is terughoudend, bescheiden en pijnlijk nauwgezet. Onbepaald door het lot, Fiasco, Kaddisj voor een niet geboren kind ontstaan voor de ogen van de lezer in deze Dagboek-periode, en er is wellicht ook al de kiem gelegd voor Liquidatie, de alles afsluitende, vierde roman, die volgend jaar in vertaling verschijnt.

De romanfiguren van Kertész: de jonge Gyuri Köves, later `de oude', in Kaddisj de ik-verteller, worden vaak met de schrijver zelf geïdentificeerd – een voordehandliggende zienswijze, maar onjuist. Uit Dagboek blijkt hoe naarstig Kertész op zoek is naar het gereedschap in de literatuur om het particuliere tot het universele om te vormen. Een aantekening uit oktober 1969: `In het volgende hoofdstuk kom ik in Auschwitz aan.' Maar over de roman zelf zegt hij: `Het meest autobiografische van mijn autobiografie is wel dat Onbepaald door het lot geen autobiografische elementen bevat. Het enige autobiografische aan dat boek is dat ik omwille van de objectiviteit alles wat autobiografisch zou kunnen zijn eruit heb weggelaten. En de manier waarop die moeizaam bevochten onpersoonlijkheid uiteindelijk doorbroken wordt, zodat er een eenzame, woordenloze individualiteit kan ontstaan.'

De individualiteit ent Kertész in Onbepaald door het lot op de atonale muziek – de titel in het Hongaars, Sorstalanság, bestaat uit twaalf letters, een toeval? – , en in Kaddisj op de fuga. De toestand van innerlijke emigratie die hij zichzelf oplegt, is wat vorm betreft in Fiasco terug te vinden. Fiasco is geen `tijdroman' met een ontwikkeling van karakters en handeling, maar een roman van verschillende verstilde stadia die tegen elkaar zijn gespiegeld. De zich oneindig herhalende beelden zet Kertész zorgvuldig, `postmodernistisch', in elkaar. Wie had het immers in de gaten dat de huiveringwekkende zin `misschien zou je afwisselend slachtoffer en beul moeten zijn' bij Baudelaire vandaan komt?

Het is onthutsend te merken hoe weinig Kertész zich van de buitenwereld aantrekt. In de dertig jaar tussen 1961 en 1991 gebeurden toch wereldschokkende dingen. Maar van een Cuba-crisis of een vermoorde president, een landing op de maan of tanks op het Wenceslasplein wordt met geen woord gerept. Het zijn ook maar incidentele, futiele gebeurtenissen vergeleken met waar Kertész mee bezig is: `Je roman niet alleen schrijven maar hem ook leven.' De innerlijke emigratie die hem de enige mogelijkheid leek om in een totalitair systeem te bestaan, geeft hem als enige, wrange vrijheid zijn zenuwen dag na dag opnieuw bloot te kunnen leggen om Auschwitz te beleven.

Toch is de onvrijheid tegelijk datgene wat zijn leven redt: `Ik begin te begrijpen dat ik voor zelfmoord (à la Borowski, Celan, Améry, Primo Levi etc.) behoed ben door de stalinistische `maatschappij', die me na mijn concentratiekampervaringen leerde dat van vrijheid, bevrijding, echte catharsis etc. – van alles dus wat intellectuelen, denkers en filosofen in gelukkiger contreien niet alleen bediscussiëren maar kennelijk ook mogelijk achten – geen sprake kan zijn.'

Ja, Kertész gaat door met leven, met uiterste krachtsinspanning werkt hij aan zijn oeuvre. Niet dat hij van het schrijverschap veel verwacht. In Dagboek van een galeislaaf is van literaire prijzen nog geen sprake: `ik zal altijd een tweederangs Hongaarse schrijver zijn, miskend en misverstaan, wat ik doe is een illusie en daarvoor verdoe ik mijn leven, dat eveneens een illusie is.' Maar hij heeft geen keus: `God is Auschwitz, maar hij is ook degene die me uit Auschwitz heeft gehaald. En die me gevraagd, ja gedwongen heeft van Auschwitz verslag uit te brengen. God wil namelijk graag horen en weten wat hij op de wereld heeft aangericht.' Onze opdracht is om zijn werk te lezen.

Imre Kertész: Dagboek van een galeislaaf. Uit het Hongaars vertaald door Henry Kammer.

Van Gennep, 276 blz. €22,50