Groot talent voor geploeter

Jaren geleden haalde de schilder en graficus Willem den Ouden op de televisie fel uit naar de dames en heren van het hoofdkantoor Waterstaat. Die wilden dijken gaan verzwaren, ophogen, verplaatsen – wat het ook zij, ze zouden het landschap verpesten, en of ze daar maar snel van wilden afzien. Den Ouden hekelde die plannen met zoveel aplomb en allure dat iedere zichzelf respecterende waterstaatsambtenaar allang zijn biezen had gepakt.

De dijken moesten eraan geloven, want het hoofdkantoor wint altijd. Maar de Waal trekt zich daar niets van aan, die doet waar hij zin in heeft en dat doet Willem den Ouden (1928) ook. Twee weken geleden verscheen zijn Leven en werk, weldadig geïllustreerd met de oogst van vooral veertig jaar grafiek. Reden voor drie musea om nu een tentoonstelling aan zijn werk te wijden. Als in zo'n met zorg gecomponeerd boek ook nog prikkelend je leven wordt naverteld en de lezer bovendien heen- en terugbladerend nauwkeurig kan volgen hoe oog en hand naarmate het leven ontrolde zich steeds meer vrijheid permitteerden, dan is er waarachtig iets volbracht.

Den Ouden heeft de Waal gemythologiseerd. We vonden die oevers allang prachtig, maar wie het rusteloze zwerk kent dat Den Ouden heeft getekend en geëtst, ziet pas echt hoe rond de Betuwse dijkdorpen en rivierkribben lichtkoepels en neveldekens zich over de aarde ontfermen. Ze zijn met een fijn burijn of een dun lithokrijt neergezet, in wat een geconcentreerd, vlinderachtig aftasten lijkt, alsof `het vibrerende spel van de dampkring' moest verdervibreren op papier. Of het nu hooivelden en boerenlelies zijn, de leegte van een uiterwaard of een zorgeloze zomerhemel – onder handen van Den Ouden zindert alles van beweging.

`Hoe langer hij keek, hoe groter het leek' staat er in roze neon langs de A13, en ook dat is in dit werk het geval. Over een breedte van twintig centimeter strekt zich een oneindigheid uit van land, lucht en water. `Mijn zonnen kunnen niet in de schaduw staan van de zonnen van Van Gogh', zegt Den Ouden ergens in het boek. Dat klopt, want die zonnen staan naast elkaar. Waar Van Gogh aan de eindigheid van het leven doet denken, daar heerst bij Den Ouden de continuïteit, de illusie dat alles zal veranderen, behalve Waal, Betuwe en uiterwaarden.

Zo'n illusie bereik je niet zo maar. `Mijn talent ligt in het ploeteren', vertelt Den Ouden aan kunsthistoricus Gijsbert van der Wal, die zonder jargon en in samenspraak met de kunstenaar in vijf hoofdstukken stap voor stap reconstrueerde hoe zich vanuit de vroege, stijve stadsgezichtjes zoveel Turneriaanse onstuimigheid kon ontwikkelen. Zelfs daar waar de bliksem, donder en orkaankracht die Turner op zee zocht, in de uiterwaarden tot windkracht twee is afgezwakt. De laatste jaren liggen de vergezichten dichter bij huis, in de tuin, waar de schaduwvlekken van een perenboom zich kunnen meten met louche najaarsluchten.

Leven en werk vloeien in dit boek volledig in elkaar over. Den Oudens vertrek als docent aan de Rijksakademie, ziekten en andere tegenslagen, brengen op papier subtiele koerswijzigingen teweeg. Als het gevaar van routine of `priegeligheid' opduikt, gaat hij weer even te rade bij Rembrandt, Cuyp, Ruisdael. En in die Hollandse landschapstraditie hoort dit oeuvre ook thuis, zij het dat zijn voorgangers verbijsterd zouden zijn over wat in die eeuwen aan kijk- en tekenkunst is gewonnen.

Gijsbert van der Wal: Leven en werk van Willem den Ouden. Sun, 240 blz., geïll. €39,50