Graffiti

Iets meer dan een kwart eeuw geleden heeft Norman Mailer met zijn essay I saw my name passing by de grondslag gelegd voor de canonisering van de graffiti. Eerder al had Georg Gross geschreven dat hij voor de directheid van zijn stijl goed had gekeken naar de grafiek die de naamlozen op de muren van stations-wc's en muren van hun cel in de gevangenis hadden achtergelaten. Spontane grafiek zonder poespas, mooidoenerij, kunstzinnig geflikflooi. De hoogste urgentie in beeld en verder niks. Authentiek, de zeldzamer wordende kwaliteit die steeds meer wordt gevraagd. Met de oergraffiti van Gross is het anders. Iedereen die is opgegroeid in de tijd dat er alleen krijtjes en bloempotscherven waren, weet ervan; heeft wel eens die destijds verschrikkelijkste woorden op de muur geschreven.

Met de uitvinding van de spuitbus heeft het schrijven op de muur het volgende tijdvak bereikt. De jongens van New York ontdekten een nieuwe manier om het bewijs van hun aanwezigheid achter te laten. Eerst op de muren en toen, veel beter, op de wagons van de subway. De overheid was er niet op voorbereid. Het hele wagenpark raakte van binnen en vooral van buiten overdekt met graffiti. De artiesten gingen dan ergens staan waar de treinen boven de grond kwamen. Ik kan me voorstellen dat het voor zo'n graffitist een ogenblik van geluk en triomf was, als hij zijn eigen werk voorbij zag rijden. Vandaar `I saw my name passing by'. Mailer heeft de graffiti een ideologie gegeven – een vervolg op zijn essay The White Negro (1957) dat nog altijd niet verjaard is.

Toen werd het hanteren van de spuitbus een wereldgewoonte en een stadspest. Eerst de gewoonte. Je zag scholen ontstaan, veel artiesten die hun licht bij Disney hadden opgestoken, of hun schrijfstijl van de balloons in de comics hadden afgekeken. Veel overlappend letterwerk. Weinig oorspronkelijks, maar dat was te verwachten, want talent is schaars. De graffiti op de muren langs de spoorbaan kort voor het Parijse Noordstation zijn onderling uitwisselbaar met de graffiti die de aankomst in Arnhem aankondigen. Weer een internationale gemeenplaats, zou je kunnen denken, maar dan plaats je je buiten de mainstream.

De lijn van Mailer volgend, schreven kunstcritici dat een en ander tot de populaire cultuur hoorde. De jeugd van de moderne metropool, op straat aan haar lot overgelaten, had op zoek naar haar identiteit, zelf een nieuwe uitdrukkingsvorm gevonden. Dat moest je niet bestrijden, maar binnen gepaste grenzen juist bevorderen. In Amsterdam schreef een cultuurambtenaar van de gemeente – tot mijn spijt weet ik niet meer hoe hij heet – een brochure waarin hij pleitte voor `gedoogmuren'. Dat denkbeeld bevatte een innerlijke tegenspraak. Want als de ware graffitist ergens een broertje aan dood heeft, is het aan gepaste grenzen. Hoe dan ook, de door Mailer geformuleerde ideologie werd verder ontwikkeld.

Dit tot verdriet van de stadsbesturen, die een steeds groter oppervlak onder de nieuwe kunst zagen verdwijnen. Toen, weer in New York, verscheen burgemeester Rudy Giuliani, die met sommige kunst niets opheeft. Graffiti is vandalisme, zei hij. Een tweedimensionale inbraak. Hij liet de subway schoonmaken, nog veel meer, en ook de gemiddelde kunstliefhebber moest toegeven: de stad ging erop vooruit. En nog een voordeel: de industrie van de schoonmaakmiddelen en de verfwerende materialen kwam tot nieuwe bloei. Zo ongeveer is het gebleven tot op de dag van vandaag. Op de muren houden de partijen van de graffiti en de overheden gesteund door de industrie van de schoonmaak elkaar ongeveer in evenwicht. Graffitist spuit, verfindustrie blij, kunstkritiek schrijft, burger ergert zich, overheid in actie, schoonmaakindustrie ook blij en burger weer tevreden. Goedbeschouwd hebben we hier een model waarin alle conflicterende partijen uiteindelijk toch harmonisch zijn opgeborgen. Zeldzaam! Dat het een paar centen kost, moeten we op de koop toenemen.

Is graffiti mooi? In decors van misdaadfilms die zich afspelen in achterbuurten: onmisbaar. Op het transformatorgebouwtje aan de spoorlijn bij Den Haag waaraan al een paar generaties hun beste krachten hebben gewijd: monumentaal in het genre. En dan zijn er de gevallen van uitzonderlijke volharding. Van de naamloze in Amsterdam, die al een jaar of twintig `Again' op de muur schrijft. Of die andere, met zijn aan de onderkant doorgezakte 8, ook langs de spoorbaan, van Maastricht tot Abcoude.

Op de Cultuurnacht in Den Haag, aanstaande zaterdag, wordt in het Museum voor Communicatie een graffiti jam gehouden. Daar wordt alles weer eens overgedaan, met subsidie.