Geen wil om te winnen

Wordt Nederland inderdaad dommer, loopt het land werkelijk achter? De methoden om de stand van de kenniseconomie te meten, zijn omstreden. Vast staat dat innovaties bedrijven hier verhoudingsgewijs weinig opleveren. Hoe zien werknemers bij internationale technologische bedrijven de positie van de Nederlander?

Nederland wordt dommer, stelden hoogleraren onlangs in een vraaggesprek met het Magazine van NRC Handelsblad. Klopt dat? Is zoiets via metingen vastgesteld, of zijn het eerder waarnemingen op basis van een onderbuikgevoel?

De OESO, de Europese Commissie en de federatie van Europese werkgeversorganisaties UNICE hebben de afgelopen jaren geprobeerd om kenniseconomieën met elkaar te vergelijken. Wat blijkt? Nederland neemt in de verschillende rapporten, die in 2000 en 2001 verschenen, steeds een andere positie in. Dat is niet verwonderlijk, zo concludeerde het Centraal Planbureau (CPB) vorig jaar in het rapport `De pijlers onder de kenniseconomie'. Uit de rapporten blijkt namelijk dat er ,,geen overeenstemming bestaat over de relevante indicatoren van de kenniseconomie''. Het CPB waarschuwt de regering dan ook om niet te veel af te gaan op deze rapporten. De conclusies zijn niet erg bruikbaar en ,,misschien zelfs riskant''. Toch lijkt het onlangs ingestelde Innovatieplatform, waarvan minister-president Balkenende de voorzitter is, de studies van de OESO en de EU als uitgangspunt te kiezen bij het uitstippelen van nieuw beleid.

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is er een groeiende behoefte om de prestaties van kenniseconomieën met elkaar te vergelijken, met name tussen de Verenigde Staten, de EU en Japan. Het genereren van kennis en de capaciteit om informatie te verwerken en te verspreiden zijn immers van fundamentele betekenis geworden voor economisch succes. Maar, net als het CPB, constateert het CBS dat er op de bestaande meetmethoden wel het een en ander is aan te merken. Zo wordt veel gekeken naar de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (r&d, research and development). Daarbinnen valt met name de technische sector. Uitgaven door de dienstensector, die in Nederland zo'n 75 procent van het bruto nationaal product bepaalt, zijn slecht vertegenwoordigd in de metingen.

De gegevens van het CPB en het CBS leveren een grillig beeld op. Het gemiddeld opleidingsniveau van de Nederlander blijkt hoog. In de EU scoren alleen Zweden en Finland hoger. Daarnaast telt Nederland relatief veel innoverende bedrijven, hoewel dat beeld enigszins vertekend is omdat elk bedrijf in deze telling even zwaar weegt. Een groot bedrijf als Unilever of Akzo heeft hetzelfde gewicht als een kleine zinkgieterij met twintig werknemers, hoewel dat kleine bedrijf lang niet zo veel investeert in innovatie. Voor Nederland geldt dat `de grote zeven' – Philips, Akzo Nobel, Unilever, Shell, DSM, ASML en Océ – in 1998 samen de helft van alle bedrijfsgerichte r&d voor hun rekening namen. De bedrijfsuitgaven aan r&d zijn trouwens laag, vergeleken met bijvoorbeeld Amerika of Japan. Dat wordt door velen gezien als alarmerend, maar het heeft deels te maken met het feit dat Nederland juist sterk is op gebieden waar traditioneel weinig wordt uitgegeven aan r&d, zoals voeding, aardolie en elektrische machines. Landen met veel bedrijven in bijvoorbeeld farmacie, computertechnologie of vliegtuigbouw geven standaard meer uit aan r&d. Wat betreft uitgaven aan ict scoort Nederland na UK en Zweden het hoogst.

In Nederland blijken innovaties verhoudingsgewijs weinig op te leveren. Wat betreft het aandeel van de nieuwe, verbeterde producten in de totale omzet scoort Nederland middelmatig.

De kennis voor een innovatie blijkt meestal uit het eigen bedrijf te komen. Contacten met universiteiten of kennisinstellingen zijn betrekkelijk gering, en dat geldt zeker voor het midden- en kleinbedrijf. De laatste jaren zijn er ook minder bedrijven een samenwerkingsverband begonnen.

De meeste bedrijven die niet innoveren, geven aan dat ze dat ook niet nodig vinden. Dat is met name in de dienstensector het geval. Gevraagd naar de oorzaken om niet te innoveren, geven bedrijven als belangrijkste reden dat er geen financiering voor te vinden is. Ook is er vaak een gebrek aan gekwalificeerd personeel. Daarnaast worden de kosten als te hoog gezien, en de risico's als te groot. Er is bovendien te veel regelgeving, en die werkt belemmerend.

Of de hoogopgeleide Nederlander inderdaad terrein verliest op de Amerikaan, de Chinees of de Hongaar, blijkt moeilijk vast te stellen. NRC Handelsblad vroeg een aantal werknemers bij internationale technologische bedrijven naar hun ideeën. Ze praten over de positie van de Nederlander, zijn kennis van talen, zijn manier van werken en zijn geringe wil om te winnen.

Voor het artikel `Wordt Nederland dommer?' uit het magazine M van september en voor een discussie over dit onderwerp, zie www.nrc.nl/discussie.