Gaten in het wolkendek

Pieter-Rim de Kroon maakte een documentaire over de magie van het Hollandse licht. ,,Je voelt het hier. Het sluit zich als een koepel om je heen.''

Is hier iets bijzonders te zien? Een meer. Een dijk. Een fietspad. Witte strepen op het asfalt. Een weg. Een huis. Nog een meertje. Weiland. Bomen. Een auto. Een fietser. Een skater. Veel bijzonders is het niet. Toch is hier, op een dijkje bij Monnickendam, een spijker in het asfalt van het fietspad geslagen. `Meetpunt' staat erop, in van die rondlopende letters. ,,`Observatiepunt' was eigenlijk een beter woord geweest'', zegt Pieter-Rim de Kroon.

Op de plek waar de spijker de grond is ingegaan zette De Kroon tussen oktober 2001 en oktober 2002 honderdvijftig keer zijn statief neer. Telkens weer filmde hij het meertje, de dijk, het fietspad, de weg, het huis, het meertje, de weilanden, de bomen, af en toe een auto, een fietser. In de zomer, de herfst, de winter, de lente. Bij min tien graden Celsius en bij plus 28, zoals het in de persmap staat. Bij windkracht 7 en windstil, bij zonsop- en zonsondergang. ,,De politie heeft ons wel eens gevraagd wat we hier deden'', zegt De Kroon op de dijk als hij de meren, het fietspad en de weilanden weer ziet. ,,We filmen het licht.''

Samen met cameraman Paul van den Bos en scenarioschrijver Maarten de Kroon, zijn broer, maakte Pieter-Rim de Kroon de documentaire Hollands Licht, een film over wat je altijd doet als je naar een film kijkt, maar waarin die bezigheid tot onderwerp is verheven. Een film over kijken.

Hollands Licht is ook een film over een mythe. In de Gouden Eeuw schilderden de Hollandse schilders niet alleen voor het eerst het landschap, maar tevens het licht dat daar op viel. De Hollanders waren de eersten in de geschiedenis van de kunst die de schoonheid van de lucht ontdekten, schreef kunsthistoricus Ernst Gombrich in Eeuwige schoonheid. In de negentiende eeuw, toen die schilderkunst opnieuw hevig in de mode kwam, trokken de schilderijen het landschap mee. Buitenlandse schrijvers en schilders gingen naar Holland om het met eigen ogen te aanschouwen. Ook Nederlandse schilders, vooral die van de Haagse School, begonnen het weer te schilderen. ,,Ik schilder geen koeien maar licht'', zei Willem Maris.

Oscar Wilde zei ooit dat er geen mist in Londen was voordat Whistler die schilderde. Je zou kunnen zeggen dat het met het Hollandse licht net zo is. Als Van Goyen, Ruysdael en Vermeer het niet geschilderd hadden, hadden wij het misschien nooit gezien. Maar Wilde zei iets bij wijze van spreken. Natuurlijk was er ook voor Whistler schilderde mist in Londen. Alleen vonden mensen het niet mooi; er was een kunstenaar voor nodig om ze er de schoonheid van te doen inzien. Met het tegenovergestelde van iets eenvoudigs als mist is het ook duidelijk. Toen de Franse schrijver J.K. Huysmans omstreeks 1884 zijn decadente held Des Esseintes in Tegen de keer naar Holland liet gaan om daar weiden te zien, `waar boeren en boerinnen dansten, huilend van vreugde en springend van plezier', kwam hij bitter teleurgesteld terug. De schilderijen van Jan Steen, Rembrandt en Van Ostade uit het Louvre hadden hem misleid. Ook van de joviale slemppartijen en familiedrinkgelagen had hij geen spoor teruggevonden.

Met het Hollandse licht ligt het moeilijk. Is dat net zo uit de fantasie voortgekomen als de joviale slemppartijen van Jan Steen of is het zoiets als de mist van Whistler? Bestaat het? Is het licht in Holland anders dan in Limburg, in Frankrijk, in Amerika? De Franse schrijver Gustave Mirbeau wist zeker dat het tien kilometer boven Breda begon. Baudelaire vergeleek het met ogen die achter tranen schitteren.

Dijk

De Kroon staat op de dijk. Hij zwaait zijn armen boven zijn hoofd, hij kijkt naar boven. ,,Je voelt het licht hier. Het sluit zich als een koepel om je heen.''

Het is een feit dat Hollandse schilders iets bijzonders hebben met licht. Op stillevens net zo goed als op landschappen, binnen en buiten, altijd is het licht zo geschilderd alsof het je niet alleen mogelijk maakt de dingen te zien. Het is zelf te zien; belangrijker dan de asperges, de melk of het tin, de koeien, de molens, de zee. Als je op de dijk staat is het niet verwonderlijk; als je de film ziet helemaal niet. Het licht, de lucht, ze eisen alle aandacht op. ,,In Duitsland heb ik dat gevoel nooit'', zegt De Kroon, ,,ook niet als je daar in een vlak en leeg landschap staat.''

Toch blijft het bestaan van dat Hollandse licht twijfelachtig. Zou Vermeer alleen in Nederland met licht hebben kunnen toveren? De kippen en de eieren liggen in deze discussie voor het oprapen. Ze passeren in de documentaire de revue in gesprekken met vier kunstenaars en vier wetenschappers, die zich allemaal uitspreken over licht en kunst en de werkelijkheid daartussen. Schilder Robert Zandvliet vindt bijvoorbeeld dat de kleuren in Holland feller zijn dan in het zuiden. In Italië is alles uitgebleekt. Maar als je op Schiphol landt en een groot rood vlak ziet, bijvoorbeeld op een reclamebord, dan knalt het je tegemoet. Staand op de dijk bij Monnickendam is het bescheiden rood van baksteen de felste kleur. Het landschap is hier bijna niets. Er is veel meer lucht te zien.

In de documentaire ziet beeldend kunstenaar Jan Dibbets het verlagen van de horizon op een schilderij als een van de belangrijkste vernieuwingen in de oude Nederlandse schilderkunst.

Pieter-Rim de Kroon kan na al die uitspraken uiteindelijk wel een stuk of zeven factoren noemen die bepalend zijn voor de kwaliteit van het Hollandse licht. ,,De hoge luchtvochtigheid, de aanwezigheid van grote oppervlaktes water, de wind, het zeeklimaat, de stand van de zon, de lage horizon, het relatief saaie landschap.'' Allemaal dragen ze bij aan het Hollandse licht. Maar ook hij weet nog altijd niet zeker of het wel echt bestaat. ,,Voor ik aan de documentaire begon dacht ik dat het voor zestig procent een mythe was en voor veertig procent een fenomeen.'' Hij is er wel meer van overtuigd geraakt dat het echt bestaat. ,,Nu denk ik voor tachtig procent dat het een fenomeen is. Ik ervaar het tot vervelens toe. Ik kan niet meer normaal in de auto zitten, ik moet steeds naar het licht kijken.''

Nog ingewikkelder wordt het in de documentaire, doordat de makers een uitspraak van de Duitse kunstenaar Joseph Beuys als leidraad hebben genomen. Volgens Beuys heeft het Hollandse licht na de inpoldering van delen van het IJsselmeer zijn specifieke helderheid verloren. Echt Hollands licht zou nu niet meer bestaan. Ook op deze uitspraak wordt in de film verschillend gereageerd. Dibbets vindt het bijvoorbeeld onzin, evenals meteoroloog Günther Konnen, die staande voor het KNMI in De Bilt beweert dat wie echt heldere luchten wil zien naar Noorwegen moet gaan. Schilder Jan Andriesse vindt het een prachtige uitspraak. Sterrenkundige Vincent Icke neemt de proef op de som. In een laboratorium bootst hij met een bak water, een spotje en een spiegel Hollandse lucht en Hollands water na en komt tot de conclusie dat een groot, reflecterend wateroppervlak wel degelijk uitmaakt voor de helderheid van het licht. Helaas wordt er niet bij verteld op wat voor afstand zoiets bijvoorbeeld uitmaakt. Aan de oevers van de Zuiderzee hebben de Hollandse schilders niet vaak gewerkt. Zou het inpolderen van Flevoland en de Markerwaard ook invloed hebben op het licht in Delft of Haarlem?

De Kroon maakt zich ervan af door te zeggen dat Hollands Licht geen wetenschappelijke verhandeling is. Zijn broer Maarten: ,,De proef laat in het algemeen wel zien wat grote wateroppervlakken met licht doen.''

Waterig zonnetje

Op de dijk is het warm. Vogels vliegen door het licht. De zon schijnt niet. Toch moet ik mijn ogen dichtknijpen. Een paar minuten later niet meer. ,,Misschien is het belangrijkste van het licht hier wel dat het telkens anders is'', zegt De Kroon. ,,Als je een bepaald effect ziet en je wilt het vastleggen, ben je bijna altijd te laat. Je kunt er niet op jagen.''

Hollands Licht gaat in première op het Nederlands Film Festival. Reden om te vragen of het Hollandse licht ook in de Nederlandse film een rol speelt. ,,Niet meer'', zegt De Kroon, die zijn auto de dijk afrijdt. ,,In de jaren vijftig, in de documentaires van Bert Haanstra en Herman van der Horst nog wel, maar daarna nauwelijks. De meeste makers, zeker van speelfilms, zijn hier geen kijkers. Het Hollandse licht wordt op de set vaak vervloekt omdat het zo snel verandert. Dat brengt de continuïteit in gevaar. Er zijn natuurlijk een paar uitzonderingen. Pieter Verhoeff kan wel kijken. En Karim Traïdia speelde heel mooi met licht en landschap in De Poolse bruid.''

Maar het licht in Groningen is toch al weer heel anders dan aan de Hollandse kust of in het Groene Hart, waar de Haagse School zo graag schilderde. Zou fotograaf Hans Aarsman daaraan hebben gedacht toen hij de mooiste tekst over Hollands licht van de laatste jaren schreef? `Als het niet regent in Nederland, dan dréígt het te gaan regenen. Dikke, grijze wolken, soms dagen achter elkaar. Toch gaat er geen dag voorbij of er komen dunne plekken in het wolkendek. Waar net een waterig zonnetje doorheen schijnt. Wat je dan te zien krijgt. Alles zichtbaar, alles helder. Alsof de wereld openspringt. Alle vormen krijgen contour. Moet je eens tegen het licht in kijken, overal zit een heel dun zilveren randje omheen. En dan heb je ook nog dagen met zon. Eigenlijk alle soorten licht hier. Soms het hele arsenaal op één dag. Alsof boven iemand aan de knoppen zit die van kijken houdt. Wij leven in Gods eigen studio.'

`Hollands Licht' gaat op het Nederlands Film Festival in Utrecht in première op 26 sept en is ook te zien op 28 en 29 sept. Bij de film een programma met andere films waarin licht een rol speelt, waaronder `Prijs de zee' van Herman van der Horst en `Tiengemeten' van Digna Sinke. Op 29 september is er in Theater Kikker een discussie over Hollands licht, met o.a. Pieter-Rim de Kroon, Jan Andriesse, Mart Dominicus en Paul Schnabel.