Een slavin wordt heldin

Alida was volgens de overlevering een huisslavin van de achttiendee-eeuwse plantagemeesteres Susanna du Plessis. De mooie mulattin werd begeerd door de heer des huizes. Susanna liet Alida's borsten afsnijden, en serveerde ze als maaltijd aan haar man. `Je wilde Alida's borsten, hier zijn ze.'

Inmiddels is Alida een begrip. In Suriname en Nederland trekken jaarlijkse Miss Alida-verkiezingen steeds meer publiek. Miss Alida is een jonge creoolse vrouw met maatschappelijke ambities en kennis van haar culturele erfgoed.

Of het werkelijk zo is gebeurd, en hoe een slachtoffer van koloniale onderdrukking kan uitgroeien tot een rolmodel voor trotse zwarte vrouwen, zijn vragen die Hilde Neus-van der Putten stelt in haar monografie over Maria Susanna du Plessis (1739-1795), oorspronkelijk geschreven als afstudeerscriptie voor de Lerarenopleiding in Paramaribo.

Iedere Surinamer kent Susanna du Plessis, en iedere Surinameganger krijgt over haar te horen. Haar erfenis is tastbaar: in een hoek van het centrale Plein in Paramaribo staat haar laatste woonhuis, nog in goede staat. Bijna even tastbaar is de legendevorming rond Du Plessis, symbool van Hollandse wreedheid jegens Surinaamse slaven. Een bekend verhaal vertelt hoe Du Plessis tijdens een boottocht naar haar koffieplantage Nijd en Spijt een slavin maande om haar kindje te laten stoppen met huilen. En hoe ze, toen dat niet lukte, het kindje onder water hield tot het verdronk.

Neus-Van der Putten probeert de legendevorming te ontrafelen door de bronnen voorop te stellen. Waar de mythe zo dominant is, moet eerst de relatie tussen mythe en werkelijkheid worden verhelderd. Helaas slaat ze daarin door: wellicht uit angst onvoldoende gedocumenteerd over te komen, blijft ze te dicht bij het archiefmateriaal. Haar rijk geïllustreerde biografische schets is bijna onleesbaar door de uitputtende omschrijving van de vele archiefstukken.

Tussen alle jaartallen, bedragen en namen door ontstaat het beeld van een krachtige vrouw, onafhankelijker operend dan gebruikelijk voor iemand in haar positie. Du Plessis' vader kwam naar Suriname als advocaat in dienst van de WIC, haar Franse familienaam dankt ze aan haar Hugenoten-afkomst. Ze liet zich scheiden van haar tweede echtgenoot, bleef kinderloos en was zeer vermogend. Wellicht heeft mannelijke jaloezie een rol gespeeld bij de negatieve beeldvorming, suggereert de auteur.

Spannender dan het biografische deel is het slot van het boek, waarin de verhalen rond Du Plessis worden herleid naar de bronnen. De auteur plaatst vraagtekens bij de oudste en belangrijkste bron, John Gabriel Stedmans Reize naar Surinamen uit 1796. Ze ontdekt dat Alida pas sinds 1963 een naam heeft, en aanvankelijk werd neergestoken. Dankzij een groeiend nationaal zelfbewustzijn, vanaf 1950, transformeerde een anoniem slachtoffer tot een heldin.

Zonder afbreuk te doen aan de orale traditie, kijkt Neus-van der Putten naar wat er op papier bewijsbaar is. Ze concludeert: `De historische personage Susanna du Plessis is via schriftelijke bronnen niet in verband te brengen met het fictieve personage Alida.' Zulke conclusies bedoelt (de Surinaamse) hoogleraar Gloria Wekker waarschijnlijk als ze in haar voorwoord schrijft: `Het is niet altijd gemakkelijk deze tekst te lezen voor iemand die de wreedheid van Du Plessis met de rijstlepel mee naar binnen gekregen heeft.'

Hilde Neus-van der Putten: Susanna du Plessis. Portret van een slavenmeesteres.

KIT Publishers, 184 blz. €21,50