Een gepantserde liefde voor de poëzie

Ilja Leonard Pfeijffer is in korte tijd uitgegroeid tot aanjager van het literaire debat. Nu heeft hij zijn poëziebeschouwingen, onder meer uit deze krant, gebundeld. Hij hanteert ongebruikelijke en erudiete maatstaven, is retorisch virtuoos en etaleert grote technische kennis. Jammer alleen dat hij op zo'n daverende missie is.

Om met de figuur van de paradox te beginnen, waarmee dichter en criticus Ilja Leonard Pfeijffer graag zijn stukken stoffeert: Hoe komt het toch dat ik het altijd roerend eens ben met de principes die deze uitbundig om zich heen slaande profeet uitbazuint, terwijl ik me, zijn boek lezend, vaak erger aan de paradoxen? Nee, geen creatieve, om het zo maar te zeggen `zinvolle' paradoxen, maar storende tegenspraken tussen fanatiek gedecreteerde principes aangaande `goede' of `slechte' poëzie enerzijds en de illustraties van wat en hoe goede of slechte poëzie moet klinken anderzijds.

Hoe komt het, anders gezegd, dat ik zijn poging om op te komen voor de complexiteit van de poëzie, maar tegelijk ook voor de eerlijkheid en de doorleefdheid ervan (zijn stelling dat niemand beter wordt van het simpeler voorstellen van wat goede poëzie is) volledig onderschrijf, maar dat ik de manier waarop hij dat doet soms zo populistisch vind? Een storende indruk van willekeur en pro domo is het gevolg.

Ilja Leonard Pfeijffer is niet de eerste de beste. Hij is classicus van opleiding – net als Paul Claes en Piet Gerbrandy hanteert hij vanuit die invalshoek enkele voor de literaire goegemeente ongebruikelijke en erudiete maatstaven. Hij bekleedt zijn kritische uitvallen graag met allerhande klassieke verwijzingen, en hij heeft in deze krant een podium waarop hij zijn voorkeuren en afkeer kan uitmeten. Een soort travestie van Fens en Komrij tegelijk, maar dan één die zich graag tegen dergelijke grote namen afzet. Dat schept hier en daar enige verwarring. Misschien daarom dat hij als `figuur' in korte tijd zeer zichtbaar werd.

De hem kenmerkende combinatie van elitair klinkende principes aangaande de complexiteit van het probleem, met een ongeduld om dat Grote Standpunt willens nillens in de strot van de gewone medemens te drammen, roept vage herinneringen op aan politici die ook steeds beter weten wat `goed is voor de mensen'. In het literair milieu werd een beetje gereageerd zoals in de politiek destijds op Fortuyn: sommigen hielden angstig hun snavel want er was een vos in het kippenhok. Als je liet zien dat je bestond, werd je misschien in de nek gebeten. Anderen kakelden moedig een tegenspraakje over al dan niet een media-hype, maar raakten al net zo verstrikt in die eeuwige, frustrerende tegenstelling tussen theorie en praktijk – in ons, veel onschuldiger, geval van de poëziekritiek: tussen wat een gedicht zegt en wat je maar zegt als je iets algemeens uit een gedicht meent te moeten afleiden.

Betekenen mijn bezwaren dat ik tegen een poging ben, als die van Pfeijffer, om fris van de lever over poëzie te spreken, om de hand uit te steken naar iets wat haast onvatbaar is, omdat het alleen in die woorden, in die volgorde van het gedicht is wat het nu eenmaal is: dit gedicht, dit beeld, deze formulering, en anders niets? Absoluut niet, want dat zou het afschaffen van de exegese betekenen, en die behoort tot de grote verworvenheden van een tolerante samenleving. Ik lees zelfs graag, als het er niet meer zijn dan twee per decennium, weer eens een nieuwe schoolmeester, vooral om dan mijn schouders op te halen en lekker mijn zin te blijven doen: gedichten schrijven zoals ik vind dat ik ze moet schrijven, met voorbijgaan aan alle welgemeende, bestudeerde of ongereflecteerde, wildmakende of temmende, uiteindelijk altijd weer de vrijheid berovende regels, en dat zijn er nogal een pak.

Pfeijffer windt zich, in een vilein en ironisch stukje over Faverey bijvoorbeeld, op over een paar absolute not dones. Je verwacht nu misschien een mindbreaker, maar het gaat om gedachtestreepjes en tegenwoordige deelwoorden. Die mo-gen-ab-so-luut-niet. Tja, dat soort van anticlimax bezorgt me hooguit de slappe lach. Ik ken ook wel leraren in de schilderklas die hun studenten decennia voorhielden dat je nooit zo maar zwart of wit mocht gebruiken als je een groot schilder wou worden. Tot zo'n student na jaren lerarenterreur verbijsterd naar een adembenemende Zurbarán stond te staren, met het zwartste zwart en het witste wit of, erger nog, de serie Fahnen van Armando onder ogen kreeg en begreep dat hij jarenlang werd gerold met willekeurige verbodsbepalingen.

Ik geloof niet in grote waarheden voor de poëzie. Want poëzie is net zo onvoorspelbaar, levend, warm, pulserend, spannend, onvatbaar en veelzijdig als Pfeijffer ook beweert dat ze moet zijn, en ze luistert niet naar huis- tuin- en keukenregeltjes, ook al worden die ons met stentorstem toegebruld. Het is niet nodig dat iemand zijn eigen smaak probeert te voorzien van adelbrieven die teruggaan tot vóór Christus; het is wel nuttig om met liefde over poëzie te schrijven – en dat kan Pfeijffer, wanneer hij op dreef is, voortreffelijk.

Er wordt met de regelmaat van de klok (vooral in Nederland, waar de poëzie vaak bedaagder is dan in Vlaanderen) geroepen om straatrumoer, om poëzie zus of poëzie zo, enfin, om acties met de Grote Bezem. Het enige wat daaruit duidelijk wordt is dat deze steeds weer opduikende profeten met een probleem zitten: ze vinden wat ze doen – gedichtjes schrijven – onbewust blijkbaar zo futiel, ze geloven er zelf eigenlijk zo weinig in, dat ze voortdurend moeten roepen dat er revolutie gaat komen. Ze doen me denken aan de vrouw of man die zelfs de adem van zijn of haar partner kwalijk vindt en om zichzelf te overtuigen dan maar overal verkondigt dat het Grote Liefde is. Bidden helpt, zei Ignatius van Loyola, het geloof komt als je doorgaat. Maar ik houd niet van Loyola.

Hoor ik dan bij al die pruttelaars die Pfeijffer het licht in de ogen niet gunnen? Ga weg. Ik houd wel degelijk van zijn retorische spelletjes. Want Pfeijffer is, een schrander, getalenteerd tot doortrapt retoricus, maar ook een man die prachtig over Pindarus schrijft, om maar iets te zeggen. Dat stuk is voor mij – en ik neem aan ook voor hemzelf – de kern van dit boek. Niet alleen omdat hij daar zulke halsbrekende toeren uithaalt om zichzelf en zijn eigen smaak van een traditie te voorzien die begint met een polemiek tegen Horatius, om over Goethe en Hölderlin bij zijn eigen lucebertiaanse overtuiging van poëzie uit te komen; maar ook omdat hij getuigt van accuratesse en het vermogen om aan échte exegese te doen als het over oude teksten gaat – (sorry voor het gedachtenstreepje) terwijl hij, sinds hij Lucebert ontdekte, een missie heeft en zich vaak schromelijk (en opzettelijk, lijkt me) vergaloppeert wat de hedendaagse poëzie betreft. Jammer dat Pfeijffer een missie heeft, want dergelijke missies zijn vaak inefficiënt als het gaat over zoiets als de proteïsche kracht van poëzie.

Hij is eigenlijk verdwaald, deze messiaanse, erudiete classicus; hij heeft zeer goed begrepen dat er een leegte zit in de hedendaagse manier van schrijven over poëzie. Hij heeft de juiste diagnose gesteld: er wordt alleen nog maar lukraak georeerd over voor en tegen die-en-die, er is geen groot debat meer, alleen een rijtje backstage aanschuivende, elkaar vriendelijk een sigaret offrerende meute dichters, wachtend op de camera. Hij droomt van een Debat, van weerwerk, van een scalpel in het vlees, van de ontsluiering van het geheim, van het neerschieten en opensnijden van de eenhoorn, van een nu eindelijk eens ten gronde gaan begrijpen wat het is dat sommige rare vogels, behorend tot de mensensoort, een leven lang kluistert aan taalbetovering. Hij predikt de taalvervoering die Heidegger in Hölderlin zag: dat men door de taal wordt bewoond, bezeten, uitgevreten. Maar hij predikt een pagina verder huis-, tuin- en keukenregels. Hij droomt van een groot gebaar waaraan risico verbonden is. Maar hij grinnikt als hij iemand op een detailfout kan betrappen. Hij wil met iedereen discussiëren over deze obsessie, maar hij snijdt de discussie af door de tegenstander te ridiculiseren.

Hij is niet de enige die dat debat opnieuw zou willen, maar niemand is het eens over de manier waarop, de items waarover. Of is het voor Pfeijffer dan toch alleen maar een spel, een maskerade? Pfeijffer vindt het namelijk leuk verwijten aan zijn adres op zijn website te zetten; op bereidheid tot zelfkritiek of debat lijkt zoiets niet te wijzen. Eerder op een uit haar hengsels gegroeide ironie. Het enigszins willekeurig tegen zere benen schoppen lijkt daarop te wijzen. En vooral het uitkiezen van slachtoffers waarmee je je geen buil kunt vallen: Nooteboom of Kopland – het is poetically correct om die te jennen momenteel; als intellectueel met royaal tentoongespreide bagage maakt hij zich vrolijk over de filosofische paradoxen in Faverey, met argumenten waarvan hij zelf weet dat ze geen steek houden; Nijhoff debunkt hij om hem even later uit de zelfgemaakte modder te halen met zijn populairste gedicht, terwijl er in Nijhoffs werk zoveel boeiender materiaal is te vinden waarmee je diens poëticaal vernuft kunt illustreren.

Onder Pfeijffers wolfsvacht lijkt op zulke momenten een impulsief rammetje te schuilen dat eigenlijk graag bij de kudde wil horen, nee, dat de kudde wil leiden, een superschaap dat tegen de maan jankt als een wolf. Ik vind zulke kapsones liggen onder het niveau dat Pfeijffer zou halen als hij wat serener te werk ging. Want eerlijk, net als hij: ik gesel slechts uit Liefde voor de Poezij. Ik heb een aantal stukken met bewondering gelezen, ik heb sympathie voor een aantal van zijn slimme doorgestoken kaarten. Maar je krijgt er wel koppijn van als hij, meegesleept door zijn eigen donderpreek, op pagina Y tegenspreekt wat hij op pagina X nog heeft zitten decreteren. Daar kom je niet onderuit door te zeggen dat poëzie nu eenmaal zo complex is; want als het zo complex is dat je niet zonder tegenspraken kunt, dan moet je ook niet de hele tijd zitten verbieden en voorschrijven.

Kortom: haal Pfeijffer weg van voor dat schoolbord, neem hem die plastic kalasjnikov af, laat hem twee maanden aan de zee van Marmara gaan zitten waar hij Roland Holst wilde heensturen om van de Noordzee af te kicken, laat hem het soort van weergaloze gedichten schrijven waar hij om roept, en laat de poëzie de poëzie wezen.

Net als hij ben ik een groot bewonderaar en al decennia lang lezer van Hölderlin; diens werk is voor mij het begin geweest van heel wat beslissingen die ik neem als ik gedichten schrijf. Maar toch leid ik daar heel andere dingen uit af dan Pfeijffer, omdat Hölderlins complexiteit makkelijk twee verschillende standpunten naast elkaar genereert, meerdere zelfs. Daar is ook helemaal niets mis mee. Ik besef dat mijn bedenkingen nu kunnen begrepen worden als die van een verstokte postmodernist (een term waartegen ik me sinds lang heb afgezet wanneer hij wordt toegepast op literatuur, want hij betekent alleen een zoveelste riedeltje regels terwijl de poëzie alweer elders is), iemand die vindt dat `duizend bloemen moeten bloeien'. Nee, ik schouw niet in vrede over de kunst der gezellige poëzie als een mijmerend botanicus. Ja, ik vind het goed dat iemand het debat aanzwengelt. Ik wil net zo goed geloven dat gedichten schrijven niet zo futiel en uit de tijd is als veel modieuze lieden beweren. Wat moet je allemaal doen om een goed gedicht te schrijven? Een heel mensenbestaan leven en dan telkens weer met stijl mislukken tot dat éne gedicht er misschien komt, antwoordde een realo als Herman de Coninck destijds, en zoals men weet heeft de man zeer veel voorschriften bevattende kritieken en slechts enkele goede gedichten geschreven.

Poëzie verandert voortdurend en poëzie verandert nooit. Een goed beeld blijft een goed beeld; innerlijke consistentie wat ritmiek, allegorische figuur, etc. betreft, worden bepaald door de manier waarop een dichter zich dat soort technieken toeëigent. Alles kan en niets kan. Het hangt ervanaf. Pfeijffer weet dat ook. Maar de relativerende intellectueel in hem, de sluwe exegeet, botst ergens met een puristische absolutist. Kenschetsend genoeg is het juist de absolutist die populair wil zijn; de relativist, die misschien naar Marmara moet, is echter zijn betere ik.

Misschien heeft de verblindende leeservaring van Luceberts gedichten Pfeijffer minder goed gedaan dan hijzelf wel denkt, en is dat de grote denkoefening die hem te wachten staat. Ik, als nederige `Vlaam', vind al dat geschreeuw over die vrijheid van Lucebert nogal overtrokken: wij hikken al generaties tegen Van Ostaijen aan en betreuren al evenlang dat Ter Braak en Du Perron daar niets van begrepen. We hebben gezien hoe een rebel als Claus tegen elke regel in toch weer soeverein bepaalde wat goed en slecht was, op zijn bek ging om dan met een ironische laatste regel te laten voelen dat hij het zelf ook wel wist – tabula rasa met een cool smile. Dat maakt mij misschien immuun voor elke intimidatie door een cultuurprofeet, en al even immuun voor academici die dichters willen voorschrijven wat ze moeten doen. Ik ben er zeker van dat met Pfeijffer een scherp en polemisch, dan weer instemmend en boeiend gesprek mogelijk is. Maar ik wil niet eerst door die retorische trucs met populaire gedichten, makkelijke grappen over een opzettelijk verkeerd begrepen vers van de onschadelijk geworden oude Roland Holst.

Ergens citeert Pfeijffer uit een aria van Puccini een paar woorden Italiaans foutief. Hij wil schrijven: che tremano d'amore (die beven van liefde); maar er staat: che tremano d'armore, waarin onbedoeld de liefde iets van een `armor' of `armour', een harnas krijgt. A knight in shining armor die wil beven van liefde, de wreker die een dichter wil nekken om een detail: die laat zo'n fnuikend veelzeggend erretje staan.

Lezer die van poëzie houdt: laat dit boek van Ilja Leonard Pfeijffer niet ongelezen. Het vormt een deugddoend groot gebaar. Ik geniet van de hogere zotheid en de willekeur die eruit spreken. Daaruit blijkt dat u er zich niets van aan moet trekken, terwijl het toch prachtig is. Net als poëzie zelf. Ik houd van de grote technische kennis van deze man, die hij probeert te combineren met passie van de straat. Er staan prachtige en domme dingen in zijn boek, zoals er ook een zwervend zetduiveltje in staat dat grijnst met een oeroud, slim gezicht. Erger je en amuseer je met mij, sla de bladzijde om, lees door. Bijt je erdoorheen. Neem de keuze van de slachtoffers niet al te hoog op: ze dienen om onzekerheid te zaaien en te imponeren. Laat je niet inpakken, word vooral niet boos, pik de beste krenten uit dit vreemde papje en volg aandachtig het betoog. Even rent de eenhoorn over de bladen. Wend je daarna tot de goddelijke Wystan Hugh Auden, en streep daar aan:

They noted that virginity was needed

To trap the unicorn in every case,

But not that, of those virgins who succeeded,

A high percentage had an ugly face.

Ilja Leonard Pfeijffer: Het geheim van het vermoorde geneuzel. Een poëtica. De Arbeiderspers, 307 blz. €19,95