De springer en het dunne meisje

De nijvere neerlandicus die zich over een halve eeuw wijdt aan een teksteditie van de roman Iris van Jan Mulder (1945), krijgt veel opzoekwerk te doen. Want het boek staat tjokvol verwijzingen naar de actualiteit, dat wil zeggen naar `de zomer van 2003': zoals nieuwtjes over de voetballer en `metroseksueel' David Beckham, Gerrit Komrij in Ruigoord, de blote peuterfoto van Rineke Dijkstra, de dood van Gregory Peck en een gesprek waarin de verteller bekent dat hij de ex-voetballer, columnist en televisiepersoonlijkheid Jan Mulder `best een aardige vent' vindt.

Die verteller, Arend (56), is ook best een aardige vent. Hij is al zijn hele leven gefascineerd door getallen, werd beroemd als polsstokhoogspringer (bijnamen `De vliegende Arend' en `Bamboe'), consolideerde zijn faam als columnist en televisiepresentator en figureert in een top-twaalf van Meest Sexy Oudere Mannen Aller Tijden. Ook is hij opa. Dat grootvaderschap en zijn seksualiteit strijden in zijn gedachten om voorrang.

Met vrouw, kinderen en kleinkinderen brengt hij de zomer door in het gehuurde `Grote Gele Huis' op Mallorca. Overdag leest hij de boulevardbladen, 's avonds trekt hij ondanks zijn leeftijd met zijn zoons – van wie er één minister van Groen en Steden is – het nachtleven in. Daar ziet hij jonge meisjes met piercings en een bovenlichaam dat `onder mijn rechterhand volledig [zou] verdwijnen'. Dat trekt hem niet zegt hij, althans tot een zekere Iris hem een chatberichtje stuurt met de bewering negentien te zijn. Dan zijn ze meestal twaalf, weet Arend. Hij kan haar niet meer uit zijn hoofd krijgen. Ze ontmoeten elkaar en hij neemt haar zelfs mee naar huis. Dan blijkt dat zijn familie niet alleen minder losjes is dan hijzelf, maar ook dat Iris zwaarder aan de flirt tilt dan Arend vermoedde. Of anders geformuleerd: onze polsstokhoogspringer heeft het contact met de aarde werkelijk een beetje verloren – al weet hij dat zijn val door de kussens gebroken zal worden.

Iris is een roman die geschreven lijkt te zijn met één hand in de broekzak. Dat levert soms een zin op als `Het is een belevenis wanneer zij met de ledematen een eindje gaat lopen' – over een van de schoondochters, maar ook nogal wat slordigheden. Een aanhalingsteken dat opent, gaat soms niet meer dicht en de zetduiveltjes huppelen over de pagina's. Bovendien komt de verteller vaak met babbelobservaties als: `Een minnares uit Puttershoek is makkelijk te vinden, maar hoe kom je weer thuis'. Zo heeft het er alle schijn van dat Iris alleen bestaat omdat de columnist Mulder afgelopen zomer (geen column, geen Barend en Van Dorp, geen groot voetbaltoernooi) om de tijd te doden maar eens aan het tikken is geslagen. Het resultaat is een boek dat nergens de diepte opzoekt, maar dat als je vlot leest, de echte verveling net voorblijft.

De meeste aandacht heeft Mulder besteed aan de verhalen uit de jeugd van zijn hoofdpersoon, met als opbrengst een paar goede passages over een kleine jongen die zijn eerste polsstok koopt en ermee in de trein naar huis reist. `Nu naar buiten. Geen deurpost, kozijn of muur raken, hem in het zand van een bloemperk steken en met een knie omhoog en de hand in de hoogste stand de buigingssterkte testen. Minutenlang heb ik daar in die pose gestaan, stok gebogen, hoofd in de nek, groots'. Op die momenten kun je je ook voorstellen hoe Jan Mulder nog eens een goede roman zou kunnen schrijven, half-sentimenteel, met gevoel voor taal en voor lichamelijkheid. En met twee handen.

Jan Mulder: Iris in de zomer van 2003. De Bezige Bij, 188 blz. €14,50