De heren hielpen achter de schermen

Tal van Nederlandse ondernemers stonden in mei 1940 al te trappelen om met de Duitsers samen te werken. Na de oorlog ontsprongen de meesten de dans, met hulp van de politieke elite die het verleden wilde afsluiten. Klassenjustitie, volgens een onthullende nieuwe studie.

Nadat Nederland zich op 10 mei 1940 had overgegeven, begonnen tal van ondernemers bij de Duitse bezetter te bedelen om orders. Zo wees scheepswerf De Schelde al op 25 mei, toen in het nabijgelegen Zeeuws-Vlaanderen nog werd gevochten, de bezetter op zijn bekwaamheden. Trein- en machinebouwer Werkspoor bood begin juni aan de casco's van veertig mijnenvegers te bouwen en beroemde zich daarbij op zijn tüchtige Facharbeiter.

De economische collaborateur behoort in het collectieve bewustzijn over de Tweede Wereldoorlog tot de archetypen. Althans in de gedaante van de opzichtige oorlogsprofiteur, de zogeheten `bunkerbouwer'. De economische collaborateur heeft ook veel schimmiger gedaanten gekend, van de maker van pasfoto's van Duitse rekruten tot de keukenhulp die aardappels schilde voor Duitse soldaten. In deze gedaanten waren de economische collaborateurs alom aanwezig, al was het maar in de Nederlandse bedrijven waarvan de helft op een gegeven moment voor de Duitsers werkte. De economische collaborateur is de elckerlyck van de collaboratie.

Toch zijn na de oorlog weinig Nederlanders veroordeeld voor economische collaboratie. Van de ruim 32.000 zaken is tweederde nooit behandeld, terwijl dit bij andere collaboratie-zaken maar in een op de tien gevallen is gebeurd. Sterker nog, tal van ondernemers zoals bijvoorbeeld de directeur van Werkspoor ontliepen niet alleen hun straf, maar bekleedden al gauw weer vooraanstaande functies in de Nederlandse samenleving en het bedrijfsleven.

Over de bestraffing van economische collaboratie en het vaak uitblijven daarvan heeft de jurist Joggli Meihuizen het omvangrijke Noodzakelijk Kwaad geschreven. Voor deze dissertatie heeft Meihuizen tientallen jaren lang niet alleen archieven en literatuur doorgespit, hij heeft ook met betrokkenen uit die tijd gesproken en geschreven al in de jaren zeventig toen sleutelfiguren zoals Donner nog leefden. Het resultaat is een veelomvattende, zeer grondige en zeker op juridisch vlak diepgaande studie, die zonder meer ontluisterend is voor de politieke en economische elite in het Nederland van na de oorlog.

Dit verzaken door de Nederlandse elite, die in de klassenmaatschappij van die jaren veel meer macht had dan nu, kwam voort uit onmacht en meer nog onwil.

De onmacht was onder meer te wijten aan de complexiteit van de economische collaboratie. Zo moesten rechters in de woorden van Meihuizen `niet alleen de trein besturen maar ook de rails leggen'' bij de toepassing van artikel 102 van het Wetboek van Strafrecht. In dat artikel staat dat `wordt gestraft, hij die opzettelijk, in tijd van oorlog, den vijand hulp verleent'. Maar volgens de gezaghebbende justitiefunctionaris Langemeyer kon dat op velen slaan, `zoodat niet ondenkbaar is dat de meerderheid van ons volk onder de greep van deze delictomschrijving is te brengen'. Het zou even duren voordat er een juridisch onderscheid was gemaakt tussen de vrouw die aardappels had geschild en de aannemer die een vliegveld oorlogsklaar had gemaakt.

Wederopbouw

De onwil om economische collaboratie aan te pakken werd gevoed door de wens om het verleden te vergeten en het economisch herstel voortvarend aan te pakken. `Een bestraffing die werd gedicteerd door het opportunisme in dienst van de wederopbouw', schrijft Meihuizen. Ook de `Indische kwestie' en de Koude Oorlog duwden de economische wandaden uit de oorlog snel naar de achtergrond, tot genoegen van veel bestuurders en topambtenaren die boter op hun hoofd hadden.

Nadat de regering aan het begin van de oorlog was gevlucht, werd Nederland in de eerste weken en maanden feitelijk bestuurd door generaal Winkelman, die de overgave had getekend, en een keur aan topambtenaren. Waar Winkelman fel gekant was tegen medewerking met de Duitsers, hadden de secretarissen-generaal op de diverse ministeries veel begrip voor industriëlen die de zaken wilden laten doorgaan. De sg's kregen al gauw de overhand, en van hen met name die van Economische Zaken, de briljante technocraat Hirschfeld.

Met instemming van Hirschfeld aanvaardde de Nederlandse metaalindustrie op 4 juni het Protokoll von Schrötter, waarmee de samenwerking met de Duitse bezetter werd bezegeld. `De economische capitulatie', noemde een advocaat dit protocol. Hirschfeld adviseerde de industriëlen over het aannemen van Duitse opdrachten. Duitse uniformen maken mocht niet, maar de vervaardiging van uniformlaken was volgens hem geen probleem. Werken aan vliegvelden was toegestaan, zolang er maar geen zaken voor de oorlog werden gebouwd zoals loopgraven.

Overigens overschreden de aannemers zelfs deze soepele richtlijnen en maakte bijvoorbeeld aannemer ABM Schiphol geschikt voor de oorlog tegen Engeland. Na de oorlog zouden de aannemers en andere bedrijven zich wel beroepen op de adviezen van Hirschfeld, maar de rechters maakten doorgaans gehakt van deze verweren net als van de talloze beroepen op overmacht. In de politiek hadden de ondernemers meer succes, zodat een gang naar de rechter hun vaak bleef bespaard.

De kabinetten na de oorlog koesterden van meet af tegenzin tegen de economische zuivering van Nederland. Zo verzuchtte premier Schemerhorn tijdens de ministerraad op 10 juli 1945: ,,Wij hebben ons in de noodzakelijkheid gemanoeuvreerd iets te doen.'' Een collega-minister merkte op: ,,Zuivering geeft zooveel last.'' Hirschfeld werd dan ook `gezuiverd' na een kort onderzoek, mocht eervol ontslag nemen en zou uitgroeien tot de machtigste ambtenaar die Nederland ooit heeft gekend. De Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven (CZR), waarvan vooraanstaande rechtsgeleerde Donner voorzitter werd, moest de zuivering snel afwikkelen.

De politieke voedingsbodem ten gunste van economische collaborateurs was dan ook vruchtbaar; men kon ,,de kruiwagen horen knarsen'' zoals een vooraanstaand justitiefunctionaris het noemde. Het beeld van de `heren achter de schermen', waarover Het Parool destijds schreef, klopt volgens Meihuizen precies. De twee belangrijkste helpende `heren' waren de liberaal Stikker, oud-directeur van Heineken en later ook minister, en de KVP-politicus Kortenhorst. Beiden hadden hun eigen netwerken en zij konden aanvankelijk niet goed met elkaar overweg. Stikker en Kortenhorst sloten vrede bij de net opgericht Stichting van de Arbeid (STAR), die later een pijler van het poldermodel zou worden.

De meest opvallende demarche — maar zeker niet de enige — was die ten gunste van directeur Van Damme van Werkspoor, die al was benoemd in de STAR. Stikker bekommerde zich om hem en als minister in het kabinet-Beel deed hij meermalen een beroep op zijn collega van Maarsseveen (Justitie) om de zaak te seponeren. Uiteindelijk met succes. Een rol speelde daarbij dat Werkspoor net een enorme order uit Argentië had ontvangen voor de levering van treinen, zodat `deviezen boven recht' gingen.

Klassenjustitie, zegt Meihuizen dan ook onomwonden. De lobby ten gunste van directeur De Vilder van aannemer ABM faalde uiteindelijk door de hardnekkigheid van de procureur-generaal, die de druk van zijn minister weerstond. In het algemeen werden aannemers ook vaker gestraft dan industriëlen en dat kwam volgens Meihuizen doordat zij minder deel uitmaakten van het `wij-circuit' in Nederland klassenjustitie binnen de bovenklasse.

Felle lobby

In deze grondige schets door Meihuizen van de rechtsgang blijft één kwestie onbesproken, die van het naoorlogse rechtsherstel. Verzekeraars, banken en vooral de effectenbeurs waren erg terughoudend met het teruggeven van bezittingen aan joden en voerden een zeer felle lobby die bij politici een willig oor vond. Toch is dit rechtsherstel onder dezelfde omstandigheden in grote lijnen goed verlopen. Meihuizen geeft hiervoor helaas geen verklaring.

Dat zo'n vraag bij de lezer kan opkomen is overigens een grote kwaliteit van het boek, dat in zijn rijkdom veel aanknopingspunten biedt. In oorlogsstudies van de laatste jaren is veel afstand genomen van het goed-foutschema. Meihuizen sluit zich aan bij een meer genuanceerde geschiedschrijving, maar houdt die wel tegen het licht. De term `accommodatie' noemt Meihuizen `juridisch verwarrend' en hij lijkt de term sowieso niet erg verhelderend te vinden.

Het is in elk geval verfrissend dat Meihuizen spreekt van `collaboratie'. Schetsen recente boeken over de banken en Philips in al hun nuance het oordeel in vage houtskooltinten, Meihuizen tekent zijn oordeel in inkt als dat nodig is. Door de juridische bril wordt de geschiedenis zo scherp waargenomen. Toch is Meihuizen de eerste om ook daar de beperkingen van te zien, omdat economische collaboratie een glijdende schaal was van `onverdacht naar strafbaar gedrag'. Meihuizen concludeert dan ook: `Het ging in feite om een ethisch dilemma. De poging dat via een scherpe juridische definitie te beslechten, moest wel tot een onbevredigend resultaat leiden.'

Joggli Meihuizen: Noodzakelijk Kwaad. De bestraffing van economische collaboratie in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Boom, 848 blz. €45,–