Claus

Claus op handen gedragen heet de filmdocumentaire die Michiel van Erp voor VARA/NOS gemaakt heeft en die op 6 oktober, de sterfdag van prins Claus, zal worden uitgezonden. De titel neigt naar een heiligverklaring, maar wie bekend is met het werk van Van Erp zal daar niet bang voor zijn.

Van Erp heeft de afgelopen tien jaar een oeuvre met een volstrekt eigen toon en stijl opgebouwd, waarin hij het Nederlandse volk met milde spot tegen het licht houdt. Geen filmer geeft ons een beter zicht op de kneuterige, aandoenlijke kant van de Nederlander. In dat opzicht is Van Erp de ware opvolger van Bert Haanstra, al heeft hij veel minder last van diens hang naar oubolligheid daarvoor is Van Erp net een tikkeltje te vilein.

Met zeven collega's zat ik in een groot, ongezellig theater naar de film over de dood van Claus te kijken. Bepaald geen ideale ambiance voor een film die voor de intimiteit van de huiskamer is bedoeld. Niettemin werd er veel gegrinnikt, dé lach die de stijl van Van Erp oproept.

Het wonderlijke is dat Van Erp ditmaal kans heeft gezien een humoristische film te maken over een zwaar, droevig onderwerp. Hij laat zien hoe wij Nederlanders de dood van Claus beleefden. We waren aangeslagen en bedroefd, maar tegelijk zetten we ons beste beentje voor om het karwei van de afhandeling zo efficiënt mogelijk te klaren.

Er was in de eerste plaats werk aan de winkel: voor de media (Van Erp volgde onder anderen Maartje van Weegen op de voet), de bloemist die korting afpingelt bij het tuincentrum, de koninklijke begrafenisondernemers die de militairen moeten oefenen bij het dragen van de kist, de scoutingleider die voor de warme chocola (`met koekjes') moet zorgen.

Iedereen begint zich opeens belangrijk te voelen. We kunnen ons verdienstelijk maken, we hebben weer wat te doen. Gemeenschapszin en eigenbelang gaan hand in hand en over alles ligt een waas van ijdelheid waar Van Erp bij uitstek raad mee weet.

Zo is er in de film een belangrijke rol weggelegd voor de Nederlandse echtgenote van de Duitse ambassadeur. Voor dit type vrouw heeft Van Erp als filmer een uitgesproken zwak. Kwekkende vrouwen die hun ijdelheid en behaagzucht vergeefs achter een muur van woorden trachten te verbergen. ,,Ik ben dan wel de vrouw van de ambassadeur, maar ik voel me niets meer of minder dan iemand anders.'' De ambassadeur hult zich in een verlamd zwijgen, zoals de meeste mannen van dergelijke vrouwen bij Van Erp doen.

Van Erp maakt nooit iemand belachelijk, maar je voelt wel steeds zijn tong tegen zijn wang drukken. Ook als hij naar `gewone mensen' kijkt. De beelden van de vijf begrafenisondernemers die voor de tv naar `hun' begrafenis kijken zijn onvergetelijk. Ze zijn aangedaan, maar behouden het professionele oog voor het detail bij elke hindernis die moet worden genomen: ,,Die stoterige trap.''

Claus op handen gedragen is een zelfportret van Nederland geworden. Waarin een klein volk groot kan zijn: in dienstbaarheid, droefheid en, niet te vergeten, voornaamheid.

Van Erp zou voor deze film maar eens de Nipkow-schijf moeten krijgen, al hoop ik niet dat hij zich dan voornaam gaat voelen.