Chinese munt komt onder westers vuur

Na de VS oefent nu ook Europa druk uit op China om zijn nationale munt, de yuan, op te waarderen. Maar kan, en wil, China zich dat wel permitteren?

Kan China akkoord gaan met een overgang naar een meer flexibel wisselkoersregime? Dat is een van de vragen die dit weekeinde zullen overheersen tijdens de jaarvergaderingen van Wereldbank en Internationaal Monetair Fonds (IMF), en de bijeenkomst van de ministers van Financiën en centrale bankiers van de zeven grootste industrielanden en Rusland (G8).

Vaststaat dat de buitenlandse druk op China toeneemt om zijn nationale munt, de yuan, te revalueren. De yuan is gekoppeld aan de Amerikaanse dollar op een koers van tussen 8,2760 en 8,28 yuan per dollar. De laatste maanden was er al toenemende pressie van Amerikaanse kant om de yuan omhoog te krijgen. Het handelstekort met China groei als kool, en dat land krijgt nu te maken met de zelfde beschuldigingen als waar Japan sinds jaar en dag aan onderhevig is: het moedwillig te laag houden van de wisselkoers om zo een oneigenlijk concurrentievoordeel te behalen.

Sinds vorige week hebben ook de eurolanden zich bij de Amerikanen gevoegd. Afgelopen weekeinde lieten de ministers van Financiën van de eurozone weten dit weekeinde met China te willen praten over de wisselkoers. De Europese angst is nog groter dan de Amerikaanse. Omdat vrijwel alle munten van Azië – én het Midden-Oosten – op een vaste koers worden gehouden tegenover de dollar, zou een vrije val van de Amerikaanse munt bijna geheel op de schouders van de euro terechtkomen. ECB-president Duisenberg zal dit weekeinde overleg voeren met de Chinese bankpresident Zhou Xiaochuan, ook over wisselkoersen.

Toch zijn zowel de Europese als de Amerikaanse standpunten ambivalent. Een deel van het bedrijfsleven klaagt over de lage waarde van de yuan, en de oneerlijke concurrentie die deze veroorzaakt. Woensdag nog dreigde de Amerikaanse organisatie van industriële bedrijven, de NAM, een procedure te beginnen die de Amerikaanse regering kan dwingen de zaak-China aanhangig te maken bij de wereldhandelsorganisatie WTO. Aan de andere kant zijn er grote, en machtige, bedrijven die juist dochterondernemingen in China hebben of productie uitbesteden, zoals Philips of het Amerikaanse GEC. Die zijn juist helemaal niet gebaat bij een hogere yuan. Voor de Amerikaanse regering komen daar nog andere overwegingen bij: de VS hebben China nodig. Voor de kwestie-Noord-Korea bijvoorbeeld, maar ook omdat de Chinezen inmiddels zoveel dollars hebben opgepot, dat zij een voorname financier zijn geworden van de VS.

Voor China zelf ligt de zaak eveneens ingewikkeld. Er is al enige maanden sprake van een complex wereldwijd academisch debat over de voors en tegens van de revaluatie van de yuan. Voor een hoge yuan pleit niet alleen de verhouding van China ten opzichte van de rest van de wereld. China stapelt snel deviezenreserves op, maar `steriliseert' die niet. Dat houdt in dat de binnenlandse geldhoeveelheid in yuan niet wordt beteugeld als er meer dollars binnenkomen.

De groeiende hoeveelheid geld die zodoende rondklotst in de Chinese economie leidt zo makkelijk tot een kredietexplosie: banken moeten het geld kwijt, en lenen het steeds minder kritisch uit. Onroerend goed is de voor de hand liggende bestemming. Gisteren waarschuwde een Chinese official voor een zeepbel in de huizen- en kantorenmarkt. En het IMF stelde dat Aziatische landen veel meer deviezenreserves oppotten dan goed voor hen is. Een grafiek (pagina 11) laat zien dat opkomende industrielanden (lees: Azië) de Westerse landen al hebben geëvenaard bij het aandeel in de wereldwijde deviezenreserves. En dat proces gaat gewoon door.