Blinken en verzinken

Wie een cabaretfestival wint, staat meteen voor een grote zaal. Helaas rinkelen de kassa's maar kort.

Toen de studentenvereniging Augustinus in april 1978 het eerste Leids Cabaret Festival organiseerde – in gebouw Het Gulden Vlies – was er nauwelijks enige publiciteit. Eén radioprogramma deed een oproep voor kandidaten, en verder waren de niet-Leidse media niet geïnteresseerd. Cabaret was uit. Maar dat veranderde snel. Toen het festival dit voorjaar zijn 25-jarig bestaan vierde, zat theater Carré in Amsterdam vijf avonden vol voor een spectacle coupé van winnaars. Snel daarna maakte de VARA er een zesdelige tv-serie van, die dezer dagen wordt herhaald. Ook alle kranten deden verslag.

Cabaret is bij uitstek de theater-hype van dit moment geworden. Wie een van de vier jaarlijkse festivals (Leiden, Amsterdam, Rotterdam, Groningen) wint, kan rekenen op een komeetachtige carrière. Van alle uitverkochte voorstellingen in de Nederlandse theaters is ruim de helft cabaret. In de grote zalen werden in 2001 zo'n 1,7 miljoen cabaretbezoekers geteld. Volgens een NIPO-onderzoek is er bovendien geen enkel ander theatergenre waarbij het publiek zo evenwichtig over alle leeftijdscategorieën is verdeeld. Ook de jongeren en de allochtonen, die door andere genres zo fel worden begeerd, komen vanzelf. ,,Cabaret levert op een presenteerblaadje dat waar beleidsmakers al jarenlang over tobben'', luidt dan ook de triomfantelijke conclusie van de werkgroep cabaret van de vereniging van theaterdirecteuren (VSCD).

Op initiatief van deze werkgroep, gevormd door vier cabaret-impresario's en drie theaterdirecteuren, worden maandagavond in het Oude Luxortheater in Rotterdam de VSCD Cabaretprijzen 2003 uitgereikt – één aan het beste programma van een geoefend cabaretier en één aan de beste voorstelling van een veelbelovend nieuw talent. Slechts één keer eerder, in 1992, heeft de VSCD zulke prijzen toegekend – toen waren Youp van 't Hek en Bert Visscher de winnaars. Sindsdien heeft de vereniging, die jaarlijks de belangrijkste toneel- en balletprijzen uitreikt, het cabaret genegeerd. Het werd hoog tijd, aldus de werkgroep, dat gemis goed te maken. Cabaret is een podiumkunst als alle andere.

De zeven deskundigen gaan zelfs nog verder. Ze vinden dat het Fonds voor Podiumkunst, dat subsidies verstrekt aan ad hoc-theaterprojecten, voortaan ook ruimte moet maken voor plannen van cabaretiers. Tot dusver valt het cabaret daarbuiten, omdat het niet als kunstvorm wordt beschouwd. Het is amusement, vindt het Fonds, en een kenmerk van amusement is nu eenmaal dat het op de vrije markt moet kunnen overleven. Maar de VSCD, die het voorstel van de werkgroep heeft overgenomen, denkt daar anders over. In een advies aan de staatssecretaris van OCenW, de Raad voor Cultuur en de betrokken fondsen dat vorige week verscheen, schrijft de vereniging: ,,Wat cabaret betreft, heeft de dwang van de markt tot gevolg dat talent `onaf' op het podium gaat staan, omdat na het winnen van een festival onvoldoende tijd wordt genomen een volwaardig theaterprogramma te ontwikkelen. Er moet ruimte komen om de autonome maker meer gelegenheid tot reflectie, verbreding en ontwikkeling te geven.''

Lucratief

Gaat het dan misschien toch minder goed met het cabaret dan in de aanhef is gesuggereerd? Integendeel, het genre is nog nooit zo lucratief geweest. Maar dat heeft ook een andere kant. Nieuwe ontdekkingen komen zo vliegensvlug naar voren, dat ze bestaande talenten – minder sensationeel, maar artistiek gezien minstens zo interessant – uit de markt dreigen te drukken. Lang niet alle theaterdirecteuren zijn het cabaret net zo toegewijd als het drietal (van de Kleine Komedie in Amsterdam, De Meerse in Hoofddorp en Luxor in Rotterdam) in de VSCD-werkgroep. Voor heel wat schouwburgen is het boeken van cabaretiers vooral de ideale manier om de jaarlijkse begroting rond te krijgen. Succes verzekerd, immers. En gemakshalve wordt dan vaak gekozen voor de meest recente festivalwinnaars. Of hun debuutprogramma al goed genoeg is voor de grote zaal, doet er dan niet toe. En of het publiek zodoende een onvolwaardig programma te zien kan krijgen, evenmin. Het publiek wekt vooralsnog voornamelijk de indruk kritiekloos te zijn.

Tot in de jaren tachtig bestond er nog een circuit van jongerencentra met een programmeringssubsidie van een paar duizend gulden per maand. Net genoeg om een paar beginnende cabaretiers te boeken. De generatie Youp van 't Hek en Waardenberg & De Jong heeft daar veel baat bij gehad. In die luwte deden ze voldoende speelervaring op om na een paar jaar de sprong naar het reguliere theatercircuit te wagen.

Maar de jongerencentra zijn goeddeels wegbezuinigd. Er bestaan nog wel wat kleine zaaltjes (zoals Pepijn in Den Haag, het Oude Raadhuis in Hoofddorp en Klein Bellevue in Amsterdam), maar die bieden lang niet genoeg ruimte voor de onafzienbare stroom van aspirant-talent. Zodat alles en iedereen nu meteen koers zet naar de theaters.

Het gevolg is dat er op de stoep van de schouwburgen een bloedbad gaande is. De gewiekste Javier Guzman, die vorig jaar het Leids Cabaret Festival won, is met razende vaart doorgestoten. Waar hij optreedt, is – bijvoorbeeld – geen plaats meer voor Vincent Bijlo, die een zeer persoonlijk, boos soort cabaret maakt dat minder op de snelle grap mikt. Of voor de spitsvondige, maar lang niet zo vlotte Kees Torn. Of voor de eigenzinnige Jaap Mulder, die al sinds de jaren tachtig een trouw, maar minder veelkoppig publiek trekt met zijn weerbarstige tirades. De meest recente ontdekking is het nog prille duo Veldhuis & Kemper, dat door de radiohit Ik wou dat ik jou was opeens een veelgevraagde attractie is geworden. Ook hun opmars zal slachtoffers maken.

Afvallers

Is dat dan erg, in een markt die nu eenmaal onderhevig is aan de grillen van het publiek? Niet als de afvallers overduidelijk zijn uitgepraat, als ze niet meer in staat zijn hun verhaal nieuwe glans te geven. Maar wel als hun ontwikkeling nog lang niet tot stilstand is gekomen en hun publiek daarop nog niet is uitgekeken. Cabaretiers als Bijlo, Torn en Mulder – en vele anderen – weten nog steeds tussen de 200 en 400 toehoorders per voorstelling aan zich te binden. Voor sommige theaterdirecteuren is dat echter niet genoeg. Gesteld voor de keuze, boeken ze liever een nieuwe ster, die meteen het dubbele aantal bezoekers in huis haalt. Dat zo'n nieuwe ster daarbij het risico loopt snel ,,uitgewoond'' te raken, zoals de VSCD-werkgroep stelt, speelt kennelijk geen rol. Zulke cabaretiers beginnen op voetballers te lijken: binnen een paar jaar de oogst binnenhalen, en daarna rentenieren.

Degenen die hun speelbeurten jaar in jaar uit zien teruglopen, moeten intussen alle zeilen bijzetten om het hoofd boven water te houden. Een columpje hier, een tv-presentatie daar – en steeds minder tijd om in alle rust aan een nieuw programma te werken. Tot in de jaren negentig kon een cabaretier ruimschoots in zijn levensonderhoud voorzien met een vast publiek van enkele honderden. Nu lukt dat dus steeds minder.

De vraag is alleen in hoeverre er in het cabaret iets te reguleren valt. Welke festivalwinnaar staat stevig genoeg in zijn schoenen om op zo'n feestelijke finale-avond weerstand te bieden aan de aanbiedingen van impresariaten en de vraag van theaterdirecteuren en publiek? Als er gouden bergen worden beloofd, is het maar al te verleidelijk zo snel mogelijk zo'n twintig minuten durend optreden uit te rekken tot een avondvullend programma en daarmee het land in te gaan. De kassa's rinkelen. Zienderogen daalt het aantal winnaars dat zich eerst één of twee seizoenen de tijd gunt alvorens met een debuutvoorstelling naar buiten te komen. En bovendien: er zijn, zoals gezegd, nauwelijks kleine podia meer waar een pril talent zich nog in de luwte kan ontwikkelen.

Een verruiming van de criteria bij het Fonds voor Podiumkunsten zou in een enkel incidenteel geval uitkomst kunnen bieden. Een bescheiden subsidie voor het schrijven van een nieuw programma of het opzetten van een veelbelovend project, zou kunnen helpen. Meer dan een enkele correctie op de vrije markt kan dat echter nooit zijn. Het genre zal voornamelijk zichzelf moeten redden – al was het maar om te voorkomen dat het publiek allengs uitgekeken raakt op de veelheid aan onvoldragen voorstellingen. Dat gevaar is lang niet denkbeeldig. Eind jaren zeventig was het cabaret volstrekt uit de mode; het werd geassocieerd met de meerstemmige zang van een groepje dat op gedragen toon de regering en de paus nog één keer waarschuwde. In de loop van de jaren tachtig begon de nieuwe glorietijd, dankzij een formidabel aanbod van nieuw en uiteenlopend talent. Maar net zo snel als dertig jaar geleden kan het cabaret ook nu weer uit de gunst raken.

Voor het komende Cameretten-festival in Rotterdam, de oudste cabaretwedstrijd van het land, zijn nu al tachtig aanmeldingen binnen. Dat is een record. Half oktober worden er negen gekozen die aan de voorrondes kunnen beginnen. De finale vindt plaats op 22 oktober. En de winnaar is nu al verzekerd van een vliegende start.