Met opvang in eigen regio is men er niet

Het opvangen van vluchtelingen in het gebied van herkomst zal het immigratieprobleem in de rijke landen niet oplossen. En ook deze benadering vraagt om een inspanning van het welvarende deel van de wereld, meent Jeff Crisp.

De laatste tien jaar zijn asiel en immigratie overal in de welvarende landen van West-Europa, Noord-Amerika en Oost-Azië boven aan de politieke agenda komen te staan. De aandacht komt voort uit het idee dat de rijkste landen worden bedreigd door een onbeheersbare toevloed van asielzoekers uit armere en minder stabiele landen, en dan vooral door illegalen die op dubieuze gronden een vluchtelingenstatus aanvragen. De angst wordt nog versterkt doordat de asielzoekers die naar West-Europa komen, vaak worden vervoerd door misdadige mensensmokkelaars, en doordat het vaak gaat om jonge mannen die afkomstig zijn uit delen van Centraal-Azië, het Midden-Oosten en Noord-Afrika die door het publiek met terrorisme en militante islam in verband worden gebracht.

Aan de andere kant dragen de nieuwkomers in West-Europa bij tot de economie van het `gastland', doordat ze laag betaald en laag gewaardeerd werk doen waarvoor de EU-burgers niet staan te trappelen. Toch gaan politici en kiezers hier meestal aan voorbij, omdat ze zich liever richten op de forse overheidsuitgaven die nodig zijn om grote aantallen asielaanvragen te verwerken en asielzoekers te steunen met juridisch advies, onderdak en uitkeringen.

West-Europese landen hebben een scala van maatregelen getroffen om mensen die uit zijn op een vluchtelingenstatus of daar illegaal willen blijven, tegen te houden of af te schrikken: strengere visum- en paspoortcontroles, beperkingen van de rechten en voorzieningen voor asielzoekers en het maken van internationale afspraken om de migranten aan te pakken die van het ene land naar het andere gaan en soms in meer dan één staat een asielaanvraag indienen. De maatregelen lijken het beoogde effect te hebben gehad, want het aantal ingediende asielaanvragen is in West-Europa beduidend gedaald. Maar ook wordt steeds meer erkend dat het restrictieve asielbeleid de mensensmokkel heeft aangewakkerd (want dat is bijna nog de enige manier om binnen te komen) en nieuwkomers heeft aangespoord `ondergronds' te gaan en niet het risico te lopen gearresteerd en uitgewezen te worden als ze bij de autoriteiten om een vluchtelingenstatus aankloppen.

Om dit vraagstuk aan te pakken, hebben regeringen in de ontwikkelde wereld een groeiende belangstelling voor het begrip ,,bescherming in de gebieden van herkomst''. Deze benadering berust op het beginsel dat mensen die uit landen zijn gevlucht die getroffen zijn door gewapende strijd, geweld en instabiliteit, een veilig toevluchtsoord en aanvaardbare levensomstandigheden moeten kunnen vinden op plaatsen die dicht bij de grenzen van hun eigen land liggen. Praktisch gesproken vergt de nieuwe strategie een wezenlijke internationale investering in het welzijn van vluchtelingen in Afrika, Azië en het Midden-Oosten, om te waarborgen dat ze in hoge mate veilig zijn, naar behoren worden voorzien van voedsel, water, onderdak en gezondheidszorg, en voldoende kansen op onderwijs en werk krijgen.

Deze benadering van het vluchtelingenvraagstuk heeft een reeks aantrekkelijke kanten en mogelijke voordelen. Bij een doelmatige uitvoering zou voorkomen kunnen worden dat vluchtelingen en asielzoekers moeilijke, gevaarlijke en dure reizen van het ene deel van de wereld naar het andere moeten maken. Dit zou de mensensmokkelaars van hun klanten beroven, de druk verminderen die op het ogenblik ligt op het West-Europese stelsel van asielverlening en sociale voorzieningen, en zo het soort xenofobische sentimenten ontmoedigen dat in menig deel van de EU is opgekomen. Dit zou kunnen leiden tot een rationeler debat over het toekomstige vluchtelingenbeleid en de immigratiebehoeften in West-Europa.

Uit het begrip `bescherming in de gebieden van herkomst' zou nog een aantal andere voordelen kunnen voortvloeien.

Ten eerste kunnen er extra gelden voor ontwikkelingshulp ter beschikking komen als de uitgaven voor asiel in West-Europa worden verminderd – hulp die op den duur niet alleen ten goede komt aan vluchtelingen, maar ook aan het gastland en aan de plaatselijke bevolking.

Ten tweede zullen vluchtelingen die veilig in hun gebied van herkomst kunnen worden ondergebracht, eerder naar hun land van herkomst terugkeren zodra het geweld dat hen verdreef tot een einde is gekomen. Ook zullen repatriëring en reïntegratie vermoedelijk goedkoper en eenvoudiger te organiseren zijn als vluchtelingen dicht bij de grenzen van hun eigen land zijn ondergebracht.

Ten derde zou de benadering van `bescherming in de gebieden van herkomst' niet per se uitsluiten dat er vluchtelingen en asielzoekers tot landen in de ontwikkelde wereld worden toegelaten. De aanhangers van deze strategie wijzen er juist op dat vluchtelingen wier veiligheid gevaar loopt in hun gebied van herkomst, of mensen die speciale behoeften of familiebanden in het buitenland hebben, zullen kunnen profiteren van georganiseerde hervestigingsprogramma's die hen verzekeren van een veilige aankomst en snelle integratie in één van de geïndustrialiseerde landen.

Tegelijkertijd moet worden erkend dat aan het begrip `bescherming in de gebieden van herkomst' ook grote `maren' zijn verbonden. Veel gebieden die op dit moment grote aantallen vluchtelingen herbergen (Noord-Kenia, Oost-Tanzania en Noord-Oeganda, om drie voorbeelden in Oost-Afrika te geven) hebben te lijden onder een grote onzekerheid en een zeer laag ontwikkelingsniveau. Maar zelfs als er van het West-Europese asielsysteem middelen naar de ontwikkelingsbegroting kunnen worden overgeheveld, mogen we dan echt verwachten dat die geplaagde oorden snel veranderen in oases van vrede, veiligheid en economische groei?

Enige twijfel geldt ook de suggestie dat verbeterde omstandigheden in de gebieden van herkomst tot een wezenlijke vermindering zullen leiden van het aantal vluchtelingen, asielzoekers en migranten uit de arme landen in het `Zuiden' naar de rijke naties in het `Noorden'. De ongelijkheid in levensstandaard tussen deze twee delen van de wereld lijkt wel gehandhaafd te zullen blijven en zou in de toekomst best nog kunnen toenemen, wat weer tot verdere internationale migratie zou leiden. Bovendien hebben het mondialiseringsproces en de uitbreiding van internationale sociale netwerken tot gevolg gehad dat groeiende aantallen mensen in landen met lage inkomens toegang hebben tot de informatie en de middelen die ze nodig hebben om – zo niet legaal dan toch op onregelmatige wijze – van het ene deel van de wereld naar het andere te trekken.

Bovenal is moeilijk in te zien hoe een verbeterde bescherming in de gebieden van herkomst of een uitbreiding van het aantal hervestigingsmogelijkheden voor bonafide vluchtelingen mensen moet tegenhouden wier hoofddoel is hun economische omstandigheden en hun vooruitzichten in het leven te verbeteren.

Het is belangrijk te erkennen dat veel van de huidige vluchtelingen zich gevangen weten in verslechterende omstandigheden, moeilijker en gevaarlijker dan die waarin ze zich vijf of tien jaar geleden bevonden. De veiligheid is verminderd en het hulpniveau is gedaald, vooral in de langdurige vluchtelingensituaties die door de internationale gemeenschap en de wereldmedia zijn vergeten.

Het is een humanitaire plicht om 's werelds vluchtelingen veiligheid en een oplossing voor de lange termijn te bieden. Voor zover het begrip `bescherming in de gebieden van herkomst' tot dit doel kan bijdragen, dient het warm onthaald te worden. Tegelijkertijd mogen we van deze benadering geen gemakkelijke antwoorden verwachten op de asiel- en migratiedilemma's van de welvarender landen.

Jeff Crisp is verbonden aan de Evaluation and Policy Analysis Unit van het UNHCR, de VN-vluchtelingenorganisatie. Hij is een van de deelnemers aan het debat, maandag 22 september in De Balie in Amsterdam, over `Bescherming in de regio: spookbeeld of toverformule?'.