Het ravijn van Donald Duck

Het is een klassieker in tekenfilms. Donald Duck holt zo hard als hij kan weg, zonder op of om te kijken en zonder te beseffen dat in het volgende plaatje een onvermijdbare afgrond opduikt. De stripfiguur rent voorbij de rand van het ravijn, loopt nog even door de lucht, blijft hangen, kijkt vertwijfeld naar beneden, ontdekt dat de grond onder zijn voeten veranderd is in een gapende leegte, spartelt met armen en benen en maakt dan een reuzensmak in de diepte.

Deze vergelijking dringt zich op bij het lezen van de miljoenennota 2004, de `nota over de toestand van 's Rijks financiën', die minister van Financiën Gerrit Zalm op prinsjesdag aan de Tweede Kamer heeft aangeboden. Het beeld van Nederland is dat van Donald Duck in de tekenfilm: al een tijd hangend boven het ravijn en nu pas dringt door dat er een diepe val te wachten staat.

De dijkdoorbraken in Wilnis en bij Rotterdam van afgelopen maand zijn symbolisch. Nederland is bezig door de bodem te zakken. De publieke infrastructuur vertoont op alle mogelijke plaatsen gebreken. Over een brede linie vallen er gaten in het economische en maatschappelijke bestel en dat zal het komende jaar alleen maar erger worden. Dit proces is al vanaf 2001 aan de gang en het absurde is dat het nu pas in volle omvang opvalt. Drie jaar heeft Nederland zorgeloos boven de afgrond gehangen en eindelijk komt de val.

De auteurs van de miljoenennota doen een poging tot verklaring van dit nationale tekenfilmverschijnsel. In leesbaar en begrijpelijk proza – het mag wel eens gezegd – leggen ze uit hoe het komt dat het land van het Dutch miracle van de jaren negentig veranderd is in het land van de neergang. Sinds 2001 blijft de Nederlandse economie per jaar ten minste twee procentpunt groei achter bij de normale groei: een half procent in plaats van 2,5 procent. In vier jaar wordt zo in totaal acht procentpunt groei van het bruto binnenlands product misgelopen. Anders gezegd: tussen 2001 en 2004 produceert Nederland zo'n zesendertig miljard euro minder – en heeft dus navenant minder te besteden – dan volgens het `behoedzame scenario' van de economische groei mogelijk zou zijn. De overheid loopt hiervan ongeveer achttien miljard euro mis.

De gevolgen zijn zichtbaar in de verslechtering van de overheidsfinanciën. In 2000 meldde het tweede paarse kabinet nog trots een begrotingsoverschot (het eerste sinds begin jaren zeventig) van 1,5 procent; zonder maatregelen zou het tekort volgend jaar zijn opgelopen tot 3,8 procent van het bbp. Dat is een omslag van 5,3 procent (bijna 24 miljard euro) in vier jaar tijd. Het is dan ook onontkoombaar dat er omgebogen wordt – en fors ook.

Waarom is nu pas in volle omvang zichtbaar dat de boedel zo dramatisch in elkaar zakt? Nederland beleefde eind jaren negentig een hoogconjunctuur. De economie was oververhit. Er was krapte op de arbeidsmarkt en de lonen gingen omhoog. Hogere arbeidskosten en – vanaf 2002 – de koersstijging van de euro hebben de concurrentiepositie van Nederland uitgehold. De winstgevendheid van bedrijven verslechtert, investeringen dalen en de uitvoer blijft steeds meer achter bij de groei van de wereldhandel. Maar er zat zoveel oververhitte lucht in de economie dat het een tijd duurde voordat de stilstand doordrong. Pas dit jaar neemt de werkloosheid snel toe.

De vraag blijft: waarom werd er niet eerder alarm geslagen? Het antwoord is: het ging zo goed onder paars dat het politieke debat en de kakelende media met andere onderwerpen bezig waren dan de oplopende arbeidsinkomensquote of de stagnerende arbeidsproductiviteit. De eerste helft van 2001 stond in het teken van verontwaardiging over de vader van Máxima.

Tegen het einde van dat jaar kwam Pim Fortuyn op en 2002 was het jaar van de LPF. Fortuyn beweerde dat economisch beleid niet belangrijk was en de menigte liep achter hem aan. Daarna kwamen de schok van de moord op Fortuyn en de afbladdering van de erfgenamen van Fortuyn. Kabinetten kwamen en gingen en ondertussen hing de economie al lang en breed boven de afgrond. Kort en goed: er is ten minste twee jaar niet fatsoenlijk geregeerd.

Daar kwam iets bij. Het welvaartsgevoel kreeg eind jaren negentig een magische waas. De gratis rijkdom die Nina Brink en anderen in het vooruitzicht stelden, leek met de `nieuwe economie' binnen handbereik. Stijgende beurskoersen, stijgende huizenprijzen, lastenverlichting – het kon niet op. De bestedingen kregen ook een onderschatte (en verzwegen) impuls door de afschaffing van de gulden: miljarden aan niet-gefiscaliseerd geld werden omgezet in onroerend goed of in luxe-consumptiegoederen.

De beurspret is voorbij, het zwarte geld is omgewisseld, Fortuyn is vermoord, de LPF is verschrompeld, Máxima's vader mag bij de doop van zijn toekomstige kleinkind aanwezig zijn. En nu pas komt de ontnuchterende vaststelling dat de economie veel minder is toegenomen dan geraamd, de belastinginkomsten achterblijven bij de uitgaven, de kosten van de gezondheidszorg de pan uitrijzen, de werkloosheid naar zeven procent gaat, de verhouding tussen 65-plussers en economisch actieven de komende decennia zal verdubbelen, dat deeltijdwerk niet welvaartsverhogend is en dat Nederland door het ruimhartige systeem van vervroegde uittreding de kosten van de vergrijzing niet aankan.

Nederland hangt boven het ravijn zoals Donald Duck in de tekenfilm. Wat volgt is de onvermijdelijke valpartij. Zo'n klap komt altijd hard aan. Gelukkig blijft er in tekenfilms de hoop dat een uithangende tak de val zal stuiten.

rjanssen@nrc.nl