Donner verruimt normen voor uitlevering verdachten in EU

Nederland gaat in het kader van het Europees arrestatiebevel ook verdachten aan andere EU-lidstaten uitleveren voor delicten die hier niet strafbaar zijn. De mogelijkheid van cassatie tegen een uitlevering wordt afgeschaft.

Dit blijkt uit het wetsvoorstel dat minister Donner (Justitie) gisteren naar de Tweede Kamer heeft gestuurd waarin het Europees arrestatiebevel geïmplementeerd wordt.

Het schrappen van de eis van dubbele strafbaarheid (het delict moet niet alleen in het land dat uitlevering vraagt maar ook in Nederland strafbaar zijn) en afschaffing van het cassatieberoep geldt voor delicten in de categorie terrorisme, mensenhandel, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie. De Europese regeringsleiders besloten in 1999 op de top in Tampere tot stroomlijning en verruiming van het onderlinge uitleveringsbeleid voor een bepaalde categorie delicten. In 2001 werd het Europees arrestatiebevel vervat in een EU-kaderbesluit. De inwerkingtreding was voorzien op januari 2004.

Behalve Nederland hebben ook Spanje, Denemarken en Portugal hun nationale wetgeving inmiddels aangepast om het Europees arrestatiebevel mogelijk te maken. Sommige lidstaten, waaronder Oostenrijk en Italië, moeten de grondwet wijzigen om uitlevering van eigen onderdanen mogelijk te maken. De procedure wordt vereenvoudigd doordat `overlevering' niet meer via ministeries loopt, maar rechtstreeks via justitiële autoriteiten van de lidstaten. Daarom spreekt de wet niet over uitlevering, maar over overlevering.

Besluitvorming over overlevering vindt niet meer plaats op ministerieel, maar op justitieel niveau. De rechtbank te Amsterdam beoordeelt vervolgens of de overlevering mag, zo blijkt uit het wetsvoorstel.

Binnen zestig dagen moet een beslissing genomen worden. Daarna moet de verdachte binnen tien dagen worden overgebracht naar de lidstaat die om overlevering heeft gevraagd.