De feministische vloedgolf

Vrouwen en jongeren waren altijd als eerste de klos als de economie inzakte. Jongeren zijn dat nog steeds, maar vrouwen hebben op dit moment betere kansen dan mannen.

De werkloosheidscijfers over de periode juni-augustus die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gisteren bekend maakte geven bijvoorbeeld aan dat de werkloosheid onder mannen harder stijgt dan onder vrouwen. Die trend is al maanden gaande.

In de periode juni-augustus 2002 waren 159.000 mannen werkloos tegenover 165.000 vrouwen. In dezelfde periode van dit jaar zijn de rollen omgedraaid: 217.000 werkloze mannen, 197.000 werkloze vrouwen. Als percentage van de beroepsbevolking is de werkloosheid onder vrouwen overigens nog hoger dan onder mannen.

Het hogere aantal werkloze mannen is de normale trend in de economie. Meer mannen gaan werken. In een economische malaise raken zij in grotere getale weer werkloos.

De betere kansen van vrouwen zijn een recent fenomeen. Het Centraal Planbureau (CPB) zit met zijn handen in het haar.

,,Het is niet duidelijk'' wat de verklaring is voor het feit dat vrouwen minder te lijden hebben onder de oplopende werkloosheid, schrijft het CPB deze week in zijn jaarlijkse Macro Economische Verkenningen. Ten opzichte van 1993, ook een jaar met stijgende werkloosheid na jaren van robuuste groei, staan vrouwen er nu beter voor op de arbeidsmarkt. Jongeren en allochtonen niet.

Het CPB oppert twee verklaringen voor de verbeterde positie van vrouwen op de banenmarkt. De eerste is negatief: de stijgende werkloosheid ontmoedigt vrouwen om hun geluk te beproeven op de arbeidsmarkt.

De tweede verklaring ligt in de wijzigingen in de structuur van de Nederlandse economie. Vrouwen zijn als werknemers overtegenwoordigd in bedrijfstakken met hoge groei: zorg en onderwijs. In de zorgsector is ongeveer 80 procent van de werkers een vrouw. Zij doen het overigens ook goed bij de overheid, maar dat is in de huidige kabinetsplannen juist een krimpsector.

Mannen daarentegen werken veel meer in de `oude' economie, zoals de stagnerende industrie. Dit jaar zal de zorg, waarin nu al meer dan een miljoen Nederlanders werken, de werkgelegenheid van de industrie inhalen.

De structuurwijziging van de economie is echter niet te stuiten. Als het kabinet erin slaagt om mensen langer te laten werken, gaat dat gepaard met hogere onderwijs- en opleidingsuitgaven in het kader van een leven lang leren. En de groei van de zorg is de voorbode van de onherroepelijke vergrijzing, dé banenmotor van de komende veertig jaar.