Snoeien en groeien

DE PAARDEN van de Gouden Koets staan weer op stal, de miljoenennota is aan de Tweede Kamer gepresenteerd en de reacties liegen er niet om. Aan negatieve superlatieven was geen gebrek. Zoveel is duidelijk: de dubbele boodschap van het kabinetsbeleid – snoeien om te groeien – is niet helder overgekomen of wordt niet overal goed begrepen. Natuurlijk heeft dat te maken met politieke inkleuring. Oppositie die zich niet verzet tegen drastische kabinetsplannen is geen knip voor de neus waard. Maar het is ook een kwestie van perceptie. Het is namelijk geen eenvoudige opdracht die het kabinet zichzelf gesteld heeft om aan een overwegend welvarend publiek uit te leggen dat de korte en lange termijn niet parallel lopen. De toelichting in de miljoenennota dat bezuinigingen een negatief effect hebben, maar leiden tot vertrouwensherstel en daardoor positief op de economische groei uitwerken, is nogal gekunsteld. Wellicht had het kabinet scherper moeten aangeven dat er niet meer geld is.

Het kabinet-Balkenende/Zalm slaat inderdaad historisch fors toe met bezuinigingen op de rijksbegroting, ingrepen in de sociale zekerheid en de zorg. Maar voor alle duidelijkheid: komend jaar geeft het rijk 134 miljard euro uit (en is er een tekort van elf miljard), wordt er 41 miljard euro aan de zorg besteed en 61 miljard euro aan de sociale zekerheid. Dat is geen klein geld en in de volgende jaren lopen al deze bedragen verder op.

BEZUINIGINGEN, ombuigingen of aanpassingen – hoe het ook genoemd wordt, de maatregelen vertalen zich uiteindelijk in geld. Vrijwel iedereen, van zakelijke autorijders tot rokers, van pilgebruiksters tot vutters, krijgt een rekening gepresenteerd. Inkomensverbetering zit er niet in, koopkrachtverlies des te meer. Hiertegen zal zeker geprotesteerd worden, tegen iedere ingreep valt wel een beargumenteerde reden te bedenken. Maar ook al is voor afzonderlijke protesten alle begrip op te brengen, het kabinet en de Kamer moeten ervoor waken daar ongeclausuleerd aan toe te geven. Des te belangrijker is het vast te houden aan de doelstelling op de langere termijn. Dat is het herstel van het concurrentievermogen van de economie en van het evenwicht in de publieke financiën. Een economie die vier jaar, van 2001 tot en met 2004, vrijwel niet groeit, heeft aanmerkelijk minder te besteden. Zo eenvoudig is het en dat valt aan Nederlanders best uit te leggen.