Nieuw WAO-stelsel voor velen strenger

Wie nog maar een beetje kans heeft om te kunnen werken, komt straks niet in de WAO.

In 2016 heeft Nederland 30 procent minder arbeidsongeschikten en loopt daarmee met de WAO weer in de pas met andere Europese landen. Als het kabinet-Balkenende met een nieuw WAO-stelsel zijn hoofddoelstelling haalt, is dé nationale schande bijna één miljoen arbeidsongeschikten voorgoed verleden tijd. Er zijn dan nog 675.000 mensen met een of andere arbeidsongeschiktheidsuitkering. En ook niet onbelangrijk: dan wordt ruim 2 miljard euro minder overheidsgeld aan de WAO uitgegeven.

De hoofdlijnen van het nieuwe WAO-stelsel, zoals het kabinet dat tijdens prinsjesdag officieel heeft gepresenteerd, zijn gebaseerd op het SER-advies van werkgevers en vakbonden (2002) en van de commissie-Donner (2001). Werkgevers en vakbonden vinden overigens dat het kabinet op te veel punten afwijkt van het SER-advies en dreigen daarom hun steun voor het nieuwe stelsel in te trekken.

,,De nadruk ligt op arbeidsgeschiktheid in plaats van arbeidsongeschiktheid'', schrijft minister De Geus (Sociale Zaken) aan het parlement. Het nieuwe systeem, dat in 2006 ingaat, moet de toegang tot de WAO fors beperken. In een overgangstermijn van tien jaar moeten alle huidige WAO'ers na een herbeoordeling onder het nieuwe stelsel gaan vallen.

De hoofdregel wordt simpel: wie nog maar een beetje kans heeft om te kunnen blijven werken, komt niet in de WAO. Alleen als bij de keuring blijkt dat de werknemer op lange termijn niet meer aan de slag kan, krijgt hij nog een WAO-uitkering van 70 procent van het laatstverdiende loon. Deze is gebonden aan een maximum van circa 30.000 euro bruto per jaar.

Groot verschil met het huidige systeem is dat WAO-uitvoerder UWV bij de keuring nu vooral kijkt naar de medische situatie en de mogelijkheden om nog te werken van dat moment. Wie dus op het moment van de keuring niet kan werken, wordt volledig afgekeurd. Daarna volgen wel herkeuringen, maar die zorgen volgens kabinet te weinig voor werkhervatting.

In de toekomst moet het UWV bij de keuring gebruik maken van een ,,positieve lijst met ziekten en aandoeningen'', zo zei De Geus bij de toelichting. Dat zijn ziekten waarvan vaststaat dat mensen er binnen enkele jaren van herstellen. Wie één van deze ziekten heeft, komt niet in de WAO, maar moet bij zijn werkgever in dienst blijven. Als dat niet mogelijk is, rest de WW of de bijstand. Welke ziekten en aandoeningen op de lijst komen, is nog onbekend.

Straks bij de WAO-keuring kan de uitslag ook zijn dat de zieke werknemer 35 tot 80 procent arbeidsongeschikt is. Dan zijn er twee mogelijkheden: het lukt de werknemer om bij zijn huidige werkgever of een nieuwe werkgever nog (parttime) te werken. In dat geval wordt zijn loon aangevuld volgens de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten. Voor het arbeidsongeschiktheidsdeel krijgt de werknemer 70 procent van zijn laatstverdiende loon uitbetaald. Bedoeling is dat het voor de werknemer aantrekkelijk wordt om meer te gaan werken. In beginsel vervalt na vijf jaar de loonaanvulling ,,tenzij iemand voldoende werkt''. Dit is in de brief van De Geus nog niet nader uitgewerkt. Ook nog onduidelijk is of de loonaanvulling door een publieke organisatie wordt uitgevoerd, of door verzekeraars. Werkgevers en verzekeraars willen graag het laatste.

Het nieuwe WAO-stelsel wordt het strengst voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten die er niet in slagen aan de slag te blijven. Zij krijgen eerst nog WW, als ze daar tenminste rechten voor hebben opgebouwd, en dan een uitkering op bijstandsniveau. Daarbij gaat ook een partnertoets gelden. Hier ligt het belangrijkste bezwaar van de vakbonden. De toets houdt in dat als de partner werkt, er wordt gekort op de bijstandsuitkering. Het kabinet wil hiermee verhinderen dat de `ongetoetste' uitkering wordt gezien als een welkome aanvulling op het gezinsinkomen en de gedeeltelijk arbeidsongeschikte niet meer naar werk gaat zoeken.

En dan is er nog een derde categorie: werknemers die voor minder dan 35 procent arbeidsongeschikt worden verklaard. Zij krijgen niets. Zij moeten in dienst blijven van de werkgever. Als zij minder produktief zijn, zal dat voor hen in de praktijk in veel gevallen een lager loon betekenen.

Een belangrijke verandering is verder nog dat er een verplichte verzekering komt voor werkgevers. Zij moeten zich gaan verzekeren voor het risico dat een werknemers tijdens de uitoefening van zijn beroep door bijvoorbeeld een ongeval of verkeerde arbeidsomstandigheden arbeidsongeschiktheid raakt. Nederland is tot deze zogeheten `Extra Garantieregeling Beroepsrisico's' verplicht, omdat het een verdrag van de internationale arbeidsorganisatie ILO heeft ondertekend. Volgens dit verdrag hebben alle werknemers die als gevolg van een beroepsrisico (deels) arbeidsongeschikt zijn geraakt, recht op een vergoeding.

Voor het nieuwe stelsel ingaat, wordt per 1 januari 2004 geregeld dat werkgevers zieke werknemers twee jaar lang minimaal 70 procent moeten doorbetalen. De wet die dit regelt, moet overigens dit jaar nog door het parlement worden geloodst. De Geus gaat ervan uit dat dat lukt. In 2004 moet dan de nieuwe WAO in wetgeving worden vervat. Of er nog belangrijke aanpassingen komen, hangt af van de Tweede Kamer, maar waarschijnlijk nog meer van werkgevers en vakbonden.