Brussel heeft kloof met burger nog niet gedicht

Terwijl politici Europa omarmen, behouden de meeste burgers hun argwaan. Waarom zeggen Europeanen zo vaak `nee' tegen Brussel?

De Europese Commissie trekt jaarlijks ongeveer 180 miljoen euro uit voor voorlichting over de Europese Unie. Daarvan besteden voorlichtingsbureaus van de Commissie in de nationale hoofdsteden tegen de vijftig miljoen euro. De ene brochure na de andere rolt van de drukpers. En toch was het de afgelopen tien jaar eerder regel dan uitzondering dat Europese burgers politici in hun hemd zetten wanneer hun mening over Europa werd gevraagd. Wat dat betreft kwam de Zweedse afwijzing van de euro niet als een verrassing.

De kloof wordt ook iedere vijf jaar gedemonstreerd door een steeds lagere opkomst bij Europese verkiezingen – in 1999 in Nederland slechts 29,9 procent. Europarlementariërs denken zich suf over manieren om belangstelling van kiezers te trekken. Ze beklagen zich over de pers, die de burgers onvoldoende zou vertellen over hun zeggenschap over Europese wetgeving. Busladingen vol burgers komen in Brussel en Straatsburg hun werkruimtes bekijken. Maar het helpt niets, zeker niet als ze intussen tegenwerking ondervinden van nationale parlementariërs en regeringen die successen op het nationale conto schrijven en voor onpupulaire maatregelen graag naar Brussel wijzen.

De Conventie over de toekomst van Europa was een poging om Europa dichter bij de burger te brengen. Op voorstel van de Belgische premier, Guy Verhofstadt, zouden onderhandelingen over een nieuw Europees verdrag niet meer achter gesloten deuren gebeuren. Nationale parlementariërs, europarlementariërs en regeringsvertegenwoordigers zouden in het openbaar over verdragsteksten debatteren. Heel de Europese bevolking zou de Conventie met openbare debatten begeleiden. Maar toen de Conventie deze zomer na anderhalf jaar praten een ontwerpverdrag gereed had, bleek de meerderheid van de Europese bevolking nog nooit over het hele project te hebben gehoord.

Wanneer volgend jaar het definitieve verdrag is gesloten, zal het in veel landen per referendum ter beoordeling aan de burgers worden voorgelegd. In Denemarken en Ierland is dit grondwettelijk verplicht; Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal, Nederland en ook enkele toetredingslanden zullen er waarschijnlijk toe besluiten. Maar uit de Eurobarometer van de Commissie blijkt dat de meeste Europeanen helemaal geen zin hebben om de verdragstekst of een samenvatting daarvan te lezen.

Als burgers gevraagd wordt of hun land tot de Europese Unie moet toetreden, reageren zij meestal positief. Alleen de Noorse bevolking heeft in 1972 het EU-lidmaatschap afgewezen. Bij zo'n referendum over toetreding gaat de discussie meestal niet over ingewikkelde verdragsteksten. De Deense ex-premier Poul Nyrup Rasmussen zei enkele jaren geleden dat in 1972 de meerderheid van de Denen voor toetreding tot de EU had gestemd omdat zij bang waren anders moeilijkheden met de export van varkensvlees te krijgen. Bij de huidige toetredingslanden in Oost-Europa betekent het EU-lidmaatschap voor veel burgers een definitief aanhaken aan West-Europa en bezegeling van het afscheid van het communisme.

Toch waren de Zweden in 1994 moeilijk van het voordeel van het EU-lidmaatschap te overtuigen, slechts 52 procent stemde voor. Volgens Anna Lindh, de vermoorde minister van Buitenlandse Zaken, had het geringe enthousiasme destijds net als de huidige euroscepsis in Zweden te maken met financiële en economische problemen, die alles met Zweden en niets met de EU te maken hadden. En toch wezen veel Zweden de EU als oorzaak van de problemen aan.

Europa wordt door de kiezers vaak afgewezen als nieuwe verdragen worden voorgelegd die de Europese integratie een stap vooruit brengen. Een probleem van de EU is dat deze voortdurend wordt veranderd. ,,De EU is een proces'', zeggen veel Brusselse diplomaten. Met ieder verdrag integreert Europa verder. De aanvankelijke reden voor enthousiasme over de EU – verkoop van varkensvlees, economische kansen – verdwijnt voor veel burgers uit het zicht. Kan dat met voorlichtingscampagnes veranderen?

Jean-Luc Dehaene, vice-voorzitter van de Europese Conventie, weigert om deel te nemen aan discussies over de aanpak van het Europese democratische tekort, over het gebrek aan kennis bij de Europese burgers over het functioneren van de EU. ,,Die discussie kun je net zo goed over nationale democratische structuren houden'', vindt hij. ,,Europa is per definitie complex. Ik ga niet zeggen dat het begrijpelijker wordt.'' Als voormalig premier van België heeft hij ervaring met ingewikkelde structuren die telkens ter discussie gesteld worden. Aan het Belgische staatsbestel wordt al tientallen jaren voortdurend gesleuteld. Net als de EU wordt België daarbij nooit eenvoudiger en begrijpelijker, maar altijd weer ingewikkelder en onbegrijpelijker.

Dehaene heeft bij de Conventie niet gezocht naar toegankelijkheid voor alle burgers. Hij heeft, zijn bijnaam `de loodgieter' waardig, gezocht om het probleem van dwarsliggende burgers te omzeilen. Dat is gebeurd door het opnemen van zogenoemde loopbruggetjes in het ontwerpverdrag. Die bieden de mogelijkheid dat Europese regeringen op een terrein als bijvoorbeeld justitie in de toekomst met unanimiteit tot verdragswijzigingen besluiten zonder dat daarvoor ratificatie door nationale parlementen nodig is en de mening van de bevolking per referendum wordt gevraagd.

Opgelost is het probleem daarmee niet. De kloof tussen Europa en zijn burgers wordt er niet mee gedicht. Misschien kan dat ook wel niet zolang politici buiten het zicht van de Europese burgers hun besluiten nemen. Ook de Conventie, opgezet als een toonbeeld van transparantie, zal uiteindelijk door de regeringsleiders als vanouds worden voltooid achter gesloten deuren.