Vrouwen Iran laten mannen achter zich

De Iraanse jonge vrouwen laten hun mannelijke tegenhangers steeds verder achter zich in de strijd om een plaats aan de staatsuniversiteiten. Er waren dit jaar in totaal ongeveer 1,5 miljoen gegadigden voor studies aan deze instellingen. Van de 230.328 die voor het zware toelatingsexamen zijn geslaagd, zijn 142.459 vrouwen, zo meldde de Iraanse pers gisteren, dat wil zeggen 61,8 procent. De vrouwen zijn ook bezig hun achterstand in de bètavakken in te halen. Dit jaar bemachtigden zij 37.600 van de 80.000 plaatsen, oftewel 47 procent.

De islamitische universiteiten, die elk jaar ongeveer 200.000 nieuwe studenten aannemen, hebben hun cijfers nog niet gepubliceerd. Maar volgens de Iraanse pers zijn de resultaten vergelijkbaar: de vrouw rukt op.

Het is alweer het vijfde achtereenvolgende jaar dat het aantal vrouwen dat door de toelatingsexamens komt het aantal mannen ruimschoots overtreft. Het is niet alleen dat zich meer vrouwen aanmelden dan mannen; zij doen het ook beter in de examens. Vorig jaar was volgens de officiële cijfers 59,7 procent van de kandidaten van het vrouwelijk geslacht; van de geslaagden was dat 62,5 procent.

Terwijl leden van de middenklasse die zich nog de tijd van de sjah herinneren erop wijzen dat toen veel meer vrouwen hoge posities bekleden – toen wel ministers bij voorbeeld, nu nog steeds niet – riposteren de islamitische autoriteiten dat de huidige opmars zich over een veel breder front voltrekt. Onder de sjah werden veel meisjes na de lagere school thuis gehouden, en maakten zij dus een minderheid van de studenten uit. In traditionele milieus – de meerderheid van de bevolking – werd de moderniseringsdrang van de sjah gewantrouwd en scholen en universiteiten in het verlengde daarvan gezien als poelen van verderf. Na de Islamitische Revolutie van 1979 moest de hoofddoek op en bleven de dochters op school.

Ook in conservatieve milieus is onderwijs en vervolgens werk voor vrouwen niet omstreden. De huidige oververtegenwoordiging van vrouwen op de universiteiten heeft in sommige ultraconservatieve kringen wel geleid tot oproepen een vast quotum af te spreken, maar daarvan is vooralsnog niets gekomen.

Over de reden waarom vrouwen in het Iraanse hoger onderwijs zo zijn doorgeschoten, bestaan verschillende theorieën. Het is een feit dat meer jongens dan meisjes studies in het buitenland volgen. Ook wordt erop gewezen dat de universiteit steeds meer wordt gezien als gepaste mogelijkheid voor vrouwen om buiten de deur te komen, en minder als opstap naar beterbetaald werk.

Aan de andere kant past de Iraanse ontwikkeling in een internationale trend. Dr. Zahra Zamani, een Iraanse geleerde, zei gisteren juist in de Indiase stad Bombay dat de Iraanse vrouw op dit terrein dient als nieuw rolmodel voor islamitische vrouwen in de hele wereld. In een toespraak onder de kop `Zijn moslimvrouwen een onderdrukte groep?' wees ze erop dat alle moslims moeten studeren en dat dochters, mits gehoofddoekt, financieel onafhankelijk moeten zijn. Ze betreurde het wat dit betreft dat Indiase islamitische vrouwen achterlopen op hun hindoezusters.

Het is wel zo dat buiten de Iraanse invloedssfeer het aantal vrouwen onder studenten eveneens toeneemt. Ook in Nederland bij voorbeeld meldden zich in 2001 meer vrouwen dan mannen (51 tegen 49 procent) aan bij de universiteiten.